“God” trotseren om God trouw te blijven

Overdenking bij  Jesaja 55:6-11
en bij Handelingen 5:12-21a, 33-40
(in een dienst met songs van Whitney Houston)

Elke ochtend als de zon opkomt, elk jaar als de lente de aarde doet ontwaken, wordt ons één ding duidelijk: leven wil groeien. Het zoekt een weg, ook als de aarde hard is en de wolken hagel neerstorten. Gods woord is ook zo’n kracht. Niet bedoeld om te blijven liggen als zaad op rotsachtige grond, maar om wortel te schieten in ons hart en vrucht te dragen door onze handen.

Gods woord keert niet leeg naar hem terug, is wat God bij Jesaja zegt. Het is alsof het woord gezaaid wordt op de aarde, en meer moet worden door de vrucht die het draagt. Dat is waar God op uit is. “Zoals regen of sneeuw neerdaalt uit de hemel en daarheen niet terugkeert zonder eerst de aarde te doordrenken, haar te bevruchten en te laten gedijen, zodat er zaad is om te zaaien en brood om te eten – zo geldt dit ook voor het woord dat voortkomt uit mijn mond: het keert niet vruchteloos naar Mij terug, niet zonder eerst te doen wat Ik wil en te volbrengen wat Ik gebied.”

Het woord van God is synoniem voor scheppende kracht. God heeft levenskracht in de aarde gezaaid. Ik had het er van de week nog over met iemand hoe in de explosie van lentegroen in de natuur, maar ook in hoe iedere geboorte het gevolg is van een oneindige reeks toevalligheden, zichtbaar lijkt te worden dat de energie van het leven een onweerstaanbare behoefte heeft zich uit te drukken en dat met onstuitbare kracht doet, keer op keer.

Zoals de stem van Whitney Houston, die met elke noot niet alleen melodie, maar ook pijn, hoop en een onverwoestbaar verlangen naar vrijheid de wereld in stuurde – een herinnering dat zelfs in gebrokenheid leven klinkt.

Het woord van God is ook synoniem voor de Torah, voor de leefregels die hij gegeven heeft. Allemaal gericht op in Gods naam zorgvuldig omgaan met elkaar.

Zo kun je in ieder geval de tien geboden interpreteren. Dat is, volgens mij, hoe Jezus het heeft gedaan. De hele Bijbel lezen als aansporing tot naastenliefde, en de toorn en de haat en de intolerantie door de gaten van de zeef laten vallen en laten verwaaien als stof in de wind.

Hier in deze kerk nodigen we elkaar steeds uit om zo te kijken. Zorgvuldig met elkaar om te gaan. Niet mee te doen aan haat en kwaadsprekerij. Niet mee te doen aan uitsluiting en discriminatie. Niet mee te doen met het goedpraten van geweld. Omdat we wel beter weten. Dat zijn geen vruchtbare wegen, dat zijn doodlopende wegen. Racistische, antisemitische, geweld verhullende en goedpratende woorden brengen leegte en dood.

Gods woord is scheppende kracht, de Torah is bedoeld als leven schenkend woord. Het bepaalt hoe we kijken naar de wereld en elkaar. Brengt het dood, dan is het niet van God.

De oplossing van Gamaliël in het conflict tussen de leerlingen van Jezus en het religieuze oppergezag is trouwens wijs. Als het Gods werk is, zal dat wel blijken uit de vruchten die de leerlingen met hun werken zaaien. Wij, lezers van Handelingen, weten wat de schrijver zijn lezers wil zeggen: wij zijn er nog, wij zijn gegroeid van een handjevol naar ontelbaar veel, het is Gods werk. Want dat brengt leven.

Ik kwam een prachtig, prikkelend verhaal hierover tegen. Hoe bepaal je wat God wil? Ik zou het zo graag aan degenen willen laten lezen die in Gods naam anderen martelen en verkrachten. Die in Gods naam veroveren en uitroeien. Die in Gods naam onderdrukken en anderen het leven ontzeggen. Nou ja, wie weet krijgen ze het nog eens te horen, is Gods woord in dezen nog volop aan het werk, en nog niet naar hem teruggekeerd.

Er was eens een klein stadje waarvan de inwoners altijd braaf probeerden te doen wat God van hen vroeg. Wanneer zich moeilijke situaties voordeden, kon met de leiders van de gemeenschap in gebed verzonken aantreffen, of op zoek naar leiding en wijsheid in de Schrift. ’s Avonds laat, midden in de winter, arriveerde een jongeman uit een nabijgelegen dorp bij de poorten van de stad, op zoek naar een schuilplaats. De poortwachter, een zeer gelovig mens, liet hem onmiddellijk binnen in het poortgebouw en gaf hem een warme maaltijd en droge kleren. Want hij zag dat de jongeman honger had en koud was geworden.

Nadat hij tot rust was gekomen legde de jongeman uit dat hij zijn dorp had moeten ontvluchten, omdat de autoriteiten in zijn streek hem beschouwden als een politieke dissident. Het bleek dat de man zich in zijn journalistieke werk kritisch had uitgelaten over de regering en over de kerk, waarbij hij verwezen had naar de waarden van het geloof. De poortwachter nam de jongeman mee naar huis, en stond hem toe te blijven tot er verdere plannen waren gemaakt.

Toen de priester van het dorp hoorde wie de poortwachter in huis had genomen, riep die het stadsbestuur bij elkaar om te overleggen. Na twee dagen discussiëren kwamen ze overeen dat de man, vanwege zijn overtredingen, overgedragen moest worden aan de autoriteiten. Er zou een bode naar de gouverneur worden gestuurd. Maar de poortwachter weigerde de man door te laten en protesteerde. “Mijn gast heeft helemaal geen misdaden begaan. Hij heeft alleen bekritiseerd wat volgens hem onrechtvaardig is, en dat heeft hij bovendien gedaan met een beroep op God.”

“Wat je zegt mag waar zijn,” antwoordde de priester, “maar zijn aanwezigheid brengt de hele stad in gevaar. Ik moet er niet aan denken dat de autoriteiten ontdekken dat hij hier is, en merken dat wij hem hebben beschermd.” Maar de poortwachter weigerde hem over te dragen en zei: “hij is mijn gast, zolang hij onder mijn dak is sta ik ervoor in dat hem niets overkomt. Als jij hem met geweld bij mij vandaan haalt, zal ik mijzelf melden bij de autoriteiten als zijn helper, en dezelfde behandeling ondergaan als hij.

De poortwachter was een geliefd persoon in het stadje, en de priester wilde niet dat hem iets zou overkomen. Dus gingen de stadsbestuurders nogmaals in beraad. Deze keer zochten ze een antwoord in de Bijbel, want ze dachten de gelovige poortwachter daarmee te kunnen overtuigen. Na een hele nacht studeren in de Bijbel kwamen de bestuurders terug bij de poortwachter en zeiden: “We hebben de hele nacht in de Bijbel gelezen om te zoeken naar een aanwijzing wat we moeten doen. En we hebben gezien dat God in de Bijbel van mensen vraagt om de autoriteiten van het land te gehoorzamen, en willen de waarheid van het geloof laten zien door ons daaraan te onderwerpen.”

Maar de poortwachter kende de woorden van de Bijbel ook. Hij antwoordde dat de Bijbel ook vraagt om te zorgen voor wie lijden omdat ze worden vervolgd.

Toen werden de stadsbestuurders wanhopig en begonnen te bidden. Ze smeekten God om tot hen te spreken. Niet van binnen als de stem van hun geweten, maar zoals hij ooit had gesproken tot Abraham en tot Mozes en tot Elia. Openbaar u aan ons, smeekten ze, zodat de poortwachter omkeert van zijn dwaalweg en leeft.

En zowaar. De lucht veranderde en God daalde af uit de hemel en zei: “De priester en de stadsbestuurders spraken de waarheid, mijn vriend. Om de stad te beschermen moet deze man overgeleverd worden aan de autoriteiten.”

Maar de poortwachter, een man met een groot geloof, keek op naar de hemel en antwoordde: “Wanneer u wilt dat ik u trouw blijf, mijn God, kan ik niets anders doen dan uw advies in de wind te slaan. Want ik heb de Bijbel en zelfs uw woorden niet nodig om te weten wat ik moet doen. U heeft al gevraagd of ik wilde zorgen voor deze man, en geschreven dat ik hem koste wat kost moet beschermen. Dat deed u met een vraag om naastenliefde die zichtbaar is in de lijnen van zijn gezicht. Uw woord krijgt zo in hem menselijke gestalte. Dus trotseer ik u God, juist om trouw aan u te blijven.”

Na deze woorden keerde God zich naar de stadsbestuurders en de priester en zei: Als ik hem niet kan overtuigen, zullen jullie dat ook niet kunnen doen. Laat hem in vrede zijn gang gaan.” Toen glimlachte God in zichzelf en trok zich stil terug, in de wetenschap dat de zaak was opgelost.

Soms moeten we “God” trotseren om trouw aan God te blijven. Zien we de zonde of zien we de mens?