Kaïn en Abel – een verhaal

Overdenking bij Genesis 3 en 4
Een verhaal

Kaïn en Abel

In die allereerste dagen veranderde alles heel snel. Als een nieuw iemand geboren werd, betekende dat een enorme piek in de populatie. Voor Kaïn voelde de geboorte van zijn jongere broer Abel alsof de planeet uit het lood raakte. Hij keek toe hoe Eva Abel op haar schoot liet paardjerijden en voelde hoe de zwaartekracht van de aarde hun richting op kantelde. Het trok aan de binnenkant van zijn buik en maakte hem zeeziek.

Jaren later zouden Adam en Eva nog veel meer kinderen krijgen, maar op dat moment waren er alleen Kaïn en Abel. Omdat er verder niemand was, werden de broers heel hecht. Ze betrommelden elkaars buiken als snaredrums en kraakten elkaars knokkels alsof het hun eigen waren.

Toch waren ze verschillend. Abel was een denker. Hij dacht over van alles, als hij zijn eigen kleine teen zou afbijten, zou die dan terug groeien? Kaïn daarentegen was een doener. Die haalde uit met zijn vuist en brak de neus van een ezel puur voor de kick.

Op een dag, toen Adam en Eva vonden dat de kinderen oud genoeg waren, zetten ze hen bij zich neer en vertelden over de blunder.

“Wat betekent het om te sterven?” vroeg Kaïn.
“Dat weten we niet precies,” zei Eva, “maar in principe op een dag, en dat is niet binnenkort, zullen wij niet meer zijn.”

Er viel een stilte. Toen sprak Abel: “als wij niet zullen zijn,” zei hij, “dan zullen we niet eens weten dat we er niet zijn. Er zal er geen ‘wij’ zijn dat kan zien dat we er niet meer zijn.”

“Ja, ik denk dat dat zo is,” zei hun moeder, “mooi gezegd.”

Abel glimlachte en ging verder met het tot paté prakken van een schapenlever.

Kaïn daarentegen had het gevoel alsof iemand hem had gedwongen een scherpe pruimenpit door te slikken. Zijn hele leven had hij zich zichzelf gevoeld, dat zijn gezicht en zijn vingers en zijn gedachten van hem waren. Nu voelde het alsof ze van iemand anders waren, iemand die ze op ieder willekeurig moment van hem weg kon rukken. Tot dan toe was het nooit in hem opgekomen dat zoiets überhaupt mogelijk was.

De broers gingen door met hun levens, maar ondertussen voelde Kaïn een nieuw soort verdriet. Dat at met hem mee, werkte met hem en stond ’s ochtends samen met hem op uit bed.

Sterven. Het sloeg gewoon nergens op. Dat wist hij gewoon, diep in zijn hart. Hij vond dat er niets belangrijker was dan God van gedachten te laten veranderen.

Hij begon zijn offers serieuzer te nemen. Ze werden uitgebreid en opzichtig. Ze bevatten rijk gechoreografeerde vrije dans, bonte langwerpige gezichtsmaskers, en de allerbeste van zijn peulvruchten. Maar God antwoordde nooit.

Kaïn begon te veranderen. Als hij een splinter kreeg, vervloekte hij de hemel buiten proporties. In de hof van Eden waren geen splinters geweest. Hij begon zich zelfs aan zijn ouders te ergeren. Hij sprak over hen alsof ze zijn erfenis hadden vergokt: “als sukkel nummer één sukkel nummer twee nou niet in verleiding had gebracht, zouden wij nu in luxe leven.”

Kaïn probeerde ook Abel kwaad te krijgen over het hele gedoe, maar Abel had een ‘laat-maar-waaien-we-moeten-allemaal-een-keer-sterven’- houding waar zijn broer gek van werd.

Kaïn bedacht een spel. Hij noemde het Donder op uit Eden. Hij stond er altijd op dat hij God mocht spelen. “Rot op met die naakte kont van je!” brulde ‘God’.
“Wat, maar we zijn hier net!” riepen ‘Adam en Eva’. “Misschien is er een fout gemaakt.”
“De Heer maakt geen fouten.”
En schopte ‘God’ zijn broer, die dan op de grond viel.
“Alsjeblieft, alsjeblieft, genade,” jammerde zijn broertje dan. “Laten we iets anders spelen.”
Maar ‘God’ lachte alleen maar.

Abel bracht ook offers aan God. Elke week koos hij het vetste schaap als offerdier. Alles wat Abel deed in zijn leven, had een reden. Hij at zodat hij geen honger zou krijgen. Hij maakte kleren om het niet koud te hebben. Maar offers brengen aan God deed hij om redenen die hij nooit echt wist. Hij deed het gewoon omdat het hem gezegd was. En daar was iets meer dat hem een zuiver en diep gevoel gaf.

Adam en Eva brachten hun offers uit angst voor nog meer straf, en Kaïn smeekte om antwoorden en om verandering. Maar Abel deed zijn plicht en liep dan weer weg zonder iets van God te verwachten. Hij was tevreden met hoe de dingen waren. En God kon het niet laten dat te waarderen.

Ondertussen besloot Kaïn een nieuwe aanpak uit te proberen bij de Heer. Hij geloofde dat God meer respect voor hem zou hebben als hij niet zou lopen slijmen. “Hij gaat ons dood maken,” dacht hij. Hij wilde dat God zou begrijpen dat die niet zomaar over mensen heen kon stampen en dan nog verwachten dat ze op handen en voeten naar hem terug zouden komen kruipen, met hun armen vol geschenken. Nee, ze moesten hard worden. Dus werden Kaïns offers steeds lakser. Hij deed niet eens de moeite om te kijken of zijn geschenken wel werden aangenomen. Dat zou eruitzien alsof hij zwichtte.

En toen op een dag, terwijl Kaïn in een veld lag, kwam Abel naar hem toe gerend.
“God heeft tegen me gesproken!” riep Abel.
Kaïn ging overeind zitten en keek zijn broer aan.
“Wat heeft hij gezegd?”
“Hij zei dat hij een grote fan is van mijn lamskoteletten.
Hij zei ‘ga zo door’.”
“Is mijn naam ook nog genoemd?” vroeg Kaïn.
“Nee, daar ging het niet over.”
“Hoe was het om zijn stem te horen?” vroeg Kaïn.
“Kijk dan naar me,” zei Abel, “ik sta nog steeds te trillen.”

 

Kaïn begon een soort steek te voelen. Die zat in zijn buik. Hij voelde de steek het scherpst als hij naar zijn broer keek. Hij kon nauwelijks nog met hem praten zonder zich van pijn voorover te moeten buigen.

Omdat de wereld nog zo nieuw was, en nog niemand zich ooit zo had gevoeld, wist Kaïn niet dat het jaloezie was wat hij voelde. In plaats daarvan concludeerde hij dat zijn buik niet langer zijn buik wilde zijn. Hij wilde uit zijn ribbenkast ontsnappen. Hij wilde Abels buik zijn. Dit was omdat hij Abel wilde zijn. Dat was geen schande. Abel zijn betekende gelukkig zijn, Kaïn zijn betekende je ellendig voelen.

Hij had een plan. Hij ging ermee naar Abel. Hij had besloten hem er gewoon ineens mee te confronteren. “Ik ben niet langer Kaïn,” zei hij, “ik ben nu Abel. We zijn allebei Abel.”
“Okay,” zei Abel.

De twee deden samen toneelstukjes om hun broers en zussen te vermaken.
“Hoe smaakt die appel, Abel?”
“Hij is lekker, Abel.”

Maar op een dag vroeg Kaïn: “Als ik Abel ben, ben ik dan net zo goed Abel als jij Abel bent?”
“Ik neem aan van wel,” zei Abel.
“Dan zijn wij voor God toch allebei Abel?” vroeg Kaïn.
“Nou, als we voor God staan, denk ik dat op dat moment ik Abel zou zijn en dat jij weer Kaïn wordt.”
Kaïns blik bleef op zijn broer rusten. Hij keek naar die andere Abel als iemand die hem in de weg stond om te zijn wie hij was. Hij was Abel, dat wist hij in zijn hart, want hij wilde het gewoon veel sterker.

Abel was bij zijn kudde toen Kaïn hem naderde. Langzaam haalde Kaïn zijn steen tevoorschijn en langzaam hief hij hem in de lucht. Op deze manier zal God zich moeten laten zien, op deze manier zal God moeten ophouden te doen alsof hij dood is en zich er direct mee bemoeien. Dat waren Kaïns gedachten. Maar nog steeds was er geen spoor van God. Hij keek naar de achterkant van Abels hoofd en toen naar de hemel. Voor het geval God zijn gedachten las, dacht hij bij zichzelf: ik ga het echt, echt doen.

Hij liet de steen neerkomen op het hoofd van zijn broer. Hij hoorde geen enkel geluid. Abel viel gewoon voorover. Hij viel voorover zoals hij altijd alles deed: met doodkalme berusting. Hij zakte ter aarde alsof hij dacht: ‘ik moet vallen, dus ik zal vallen. Ik val. Ik ben gevallen.’

Daar was hij dan: de dood. Kaïn kon het niet geloven. Hij was er zeker van geweest dat God op het laatste moment zou ingrijpen. Hij had echt gedacht dat alleen God iemands leven kon nemen, maar dit was net zo makkelijk als het doden van een schaap. Abel, met grote, niet knipperende ogen, staarde recht in het mysterie van leven en dood. En hij zei geen woord over dat alles. De schapen graasden verder en de zon bleef schijnen. Er kwamen geen bliksemschichten, er klonk geen dreunende stem vanachter de wolken, het leven ging door.

Die nacht verscheen God aan Kaïn in een droom.
“Waar is je broer?” vroeg God.
“Het gaat altijd over mijn broer,” zei Kaïn. “Vraag je ooit waar ík ben? Nee, daar denk je niet aan.”
“Wat heb je gedaan?” vroeg God.
“Ben ik mijn broeders hoeder?” vroeg Kaïn.
God antwoordde niet. Hij gaf hem alleen een blik. Die maakte dat Kaïn zich naakt voelde en klein. Toen voelde hij de vinger van God tegen zijn voorhoofd. Die zonk door zijn hoofd heen zijn hersenen in, alwaar hij sprak.

“De aarde zal jou verwerpen,” zei de stem uit de vinger, “en ik zal jou verwerpen. Je zult over de aarde rondzwerven en de dood zal niet komen. Er zal geen ontsnapping zijn. En ze zullen naar je kijken en niemand zal het wagen je te doden, want zij zullen je herkennen aan je teken.”

God trok zijn vinger terug, en liet een vingerafdruk achter op Kaïns voorhoofd, die de vorm had van een traan.

In het begin probeerde hij zichzelf ervan te overtuigen dat het teken bedoeld was om hem te beschermen, dat hij een geheime afspraak met God had, dat ze elkaar begrepen. Een tijdlang werd hij ’s morgens wakker en deed alsof hij onsterfelijk en beroemd was. Maar hij was niet erg goed in doen alsof.

Terwijl de eeuwen voorbijgingen, gaf Kaïn het boeren op en zwierf over de aarde. Hij liep alsof hij een doel had, voor het geval iemand keek, maar in zijn hart wist hij dat hij nergens had om heen te gaan.

Hij werd zo eenzaam en vol spijt dat hij de dood niet langer vreesde maar ernaar verlangde.
Hij joeg beren achterna, en die renden weg. “Ze hebben de ballen niet,” zei hij dan.
“Ren dan, kleine lafaards!” riep hij de tijgers achterna.
“Kijk naar mij,” schreeuwde hij in het gezicht van een alligator terwijl hij tevergeefs probeerde diens kaken open te wrikken.

Nog meer eeuwen verstreken en Kaïns verlangen naar de dood was bijna continu. Hij dacht aan Abel in de hemel, flierefluitend met God, vliegend door de wolken op Gods schouders, terwijl hijzelf eeuwenlang moest aanrommelen, zijn eigen kinderen smeekte om gepunte takken door zijn hart te steken. Toen hij leefde was Kaïn jaloers op zijn broer geweest, maar nu hij dood was werd hij jaloerser dan hij ooit voor mogelijk had gehouden.

Na verloop van tijd kon Kaïn zich nog maar weinig herinneren. Twintig jaar na de dood van zijn broer leek het alsof het gisteren was, maar na tweehonderd jaar voelde het als iets wat in een droom zou kunnen zijn gebeurd. Er waren details die hij zich herinnerde die nu onwaarschijnlijk leken, zoals hoe hij de ziel van zijn broer uit diens lichaam had zien vertrekken en hoe die hem gedag had gezwaaid en knipoogde.

Na driehonderd en vierhonderd jaar voelde het allemaal zo lang geleden dat wie hij toen was aanvoelde als heel iemand anders. Wanneer mensen die hij ontmoette hem naar vroegen naar hoe het in vroeger tijden was, verzon hij gewoon maar wat.
“We hadden vleugels,” zei hij.

Na vijfhonderd jaar was zijn verhaal zo vaak herhaald dat hij zich alleen nog de herhalingen herinnerde, niet de gebeurtenissen zelf. Het klonk als een fabel, iets wat net zo goed een vos en een konijn had kunnen overkomen als hemzelf en zijn broer.

Hij begon overal aan te twijfelen. Hij vroeg zich zelfs af of hij Gods stem ooit echt had gehoord, of het teken op zijn voorhoofd wel van God was en niet gewoon zomaar een levervlek. Was dit misschien onderdeel van de straf, vroeg hij zich af, dat hij zo in het ongewisse werd gelaten of God werkelijk bestond of dat God alleen iets was in zijn eigen hoofd?

Na zevenhonderd jaar voelde hij niets meer als hij het verhaal aan zichzelf vertelde, of anderen het hoorde vertellen. Hij was te oud om nog schuld, spijt of wat dan ook te voelen. Hij miste zijn broer niet eens meer.

Hij verlangde niets van God. Hij verlangde niets van de wereld. De wereld was zoals hij was. Van hem hoefde die niet anders te zijn. En zo ging uiteindelijk zijn wens in vervulling, om net als Abel te zijn. En toen liet God hem sterven.

Verhaal van Jonathan Goldstein, zoals gehoord in de podcast Heavyweight: Live from New York, 13-11-2025

Vertaling: Kaj van der Plas