Overdenking bij Genesis 24 en 35 (:6-8)
Wat is het mooi om deze oude verhalen nu in de nieuwe vertaling te horen, zei iemand van jullie een paar weken terug. Toen lazen we over Hagar, en een week eerder over de roeping van Abram. Confronterend is het ook wel. De nieuwe heldere taal haalt het patina, het verkleurde laagje vernis van de verhalen af. En zo wordt zichtbaar dat het romantische beeld dat de oude schoolplaten en kinderbijbels ons voorspiegelden belangrijke dingen bedekte. Het beloofde land was bewoond land. En Hagar was een tot slaaf gemaakte die misbruikt werd als draagmoeder voor Sara.
Ook vandaag weer een aartsvaderverhaal, over een meisje dat opgehaald wordt om de vrouw te worden van een man die ze nog nooit heeft gezien. Een afspraak tussen haar vader en de vader van haar bruidegom. Een nogal patriarchaal verhaal, zo op het eerste gezicht. Patriarchaat is het woord voor een cultuur waarin mannen de dominante rollen, macht en autoriteit bezitten, terwijl vrouwen daaraan moeten gehoorzamen, dienend en ondergeschikt zijn. Dat kun je zien op allerlei manieren: wie de meeste invloed heeft in een bedrijf, of in de politiek, wie het meeste geld verdient. Maar ook in het gegeven dat pas sinds de jaren ’90 nieuwe medicijnen ook worden getest voor vrouwen, en dat het voor vrouwen moeilijker is om hulp te krijgen. “Ach mevrouwtje…” Niet alleen vrouwen worden achtergesteld, ook mensen die niet passen in het idee dat er “mannelijke” en “vrouwelijke” mensen zijn. Vaak onbewust, dan word je je pas bewust dat er bepaalde machtsverhoudingen zijn, als iets of iemand die daar slachtoffer van is, in opstand komt of hun stem laat horen.
Momenteel zien we in de Westerse wereld zelfs een opleving van deze onjuiste en achterhaalde patriarchale ideeën, door het inperken van de gelijkwaardigheid tussen man en vrouw, en door de toenemende onderdrukking van iedereen die en alles wat buiten de patriarchale clichés van “mannelijk” en “vrouwelijk” past.
Op het eerste gezicht draagt de Bijbel zijn steentje bij aan dat systeem van onderdrukking. Maar vandaag zien we dat hij bij nader inzien toch niet zo star patriarchaal blijkt te zijn als je zou kunnen denken. Een beetje hoop dus voor wie te horen krijgt dat dat oude boek in de bak met ‘gevaarlijk’ en ‘gedateerd’ zou moeten verdwijnen. En een beetje ammunitie tegen de mannetjes en vrouwtjes die de Bijbel gebruiken om de structurele ongelijkheid van zogenaamde goddelijke goedkeuring te voorzien.
Ik vind het belangrijk om nog even te beginnen met wat er aan het verhaal van vanmorgen voorafgaat. Omdat het laat zien dat Abram bewust de positie van vreemdeling blijft kiezen. En omdat we hoorden dat de komst van Rebekka Isaak troost bood na de dood van zijn moeder Sara.
Voorafgaand aan het verhaal van vanmorgen staat geschreven hoe Sara sterft in Kirjat Arba, het huidige Hebron. Abraham vraagt de Hethieten, de bewoners van die streek, om een graf: “Ik ben een vreemdeling bij jullie, geef me een stuk land om mijn dode te begraven.” Ze bieden het gratis aan – hij is immers een door God gezegende vorst. Maar Abraham staat erop de volle prijs te betalen voor de grot in Machpela, bij Mamre. Zo koopt hij zijn eerste stuk land in Kanaän, niet als gunst, maar als onafhankelijk bezit. De Hethieten reageren gastvrij, maar Abraham kiest voor duidelijkheid: geen schuld, geen verplichtingen. Een transactie die zijn status als nomade en zijn toewijding aan het beloofde land bevestigt. En opnieuw een illustratie dat het beloofde land geen leeg land was, nu aangevuld met een illustratie van de gastvrijheid die Abraham genoot. De inwoners van dat land waren zo onvriendelijk nog niet.
En als je het verhaal van Abraham wilt lezen vanuit de context waarin het, in deze vorm, werd opgeschreven: Babylon waar de joden in ballingschap woonden, dan zou het een instructie kunnen zijn voor de mensen in ballingschap hoe om te gaan met mensen die overleden. Doe als Abraham, koop een graf. Betaal de volle prijs zodat je jezelf niet afhankelijk maakt. Dat graf is vanaf dat moment een tastbaar stukje van jouw eigen cultuur in die vreemde omgeving. Een stukje beloofde land in ballingschap.
Sara is dood, en Abraham voelt dat hij oud wordt. Het is het tijd om een vrouw voor zijn zoon te zoeken. En daarmee komen we terecht in een verhaal dat op het eerste gezicht aan alle kanten ‘patriarchaat’ ademt.
Patriarchaat in dit verhaal: de vader heeft gezag over zijn huishouden. En zolang zijn zoon nog deel van zijn huishouden uitmaakt, is de zoon dus ook ondergeschikt aan zijn vader. Vader zoekt dus een geschikte huwelijkspartner voor zijn zoon. Want stel je eens voor dat hij een verkeerde partner zoekt, dat zou gezichtsverlies kunnen geven. Nee, een huwelijk moet je status bevestigen, liefst nog een beetje optillen. En bij Abraham speelt dan ook nog eens het geloof mee: de huwelijkspartner van zijn kind moet niet uit een ander volk met een ander geloof komen.
Zoals hij als vreemdeling en nomade is blijven leven in Kanaän, zo zal ook Isaak zich niet moeten binden aan de omgeving waarin hij is, door te trouwen met een vrouw uit de omgeving. Nee, de knecht van Abraham wordt eropuit gestuurd om te reizen naar de streek waar Abrahams vader Terach is gestorven, ergens halverwege zijn geboortegrond en het beloofde land. En als hij daar een meisje vindt, moet het meisje wel naar Kanaän komen. Isaak mag niet vertrekken naar de plek waar Abraham vandaan kwam, Paddan-Aram. Zie je hoe het vreemdeling-zijn, het je niet binden aan je omgeving, in het verhaal zit ingebakken? Zouden de Hethieten er niet op hebben aangedrongen dat Abraham zich aanpaste aan hun cultuur. Of er schande van hebben gesproken dat hij een bruid haalde uit het land van herkomst? Hem ervan verdenken dat hij de zuivere Hethitische cultuur zou willen omvolken? Of is dat typisch Nederlands, typisch iets van de Westerse wereld?
De dienaar van Abraham, die met zijn hand op diens lies gezworen heeft wat hij Abraham heeft beloofd, en naar Haran is afgereisd, pakt het slim aan. Op het moment van de dag dat de waterputsters van de stad naar de bron komen, tegen de avond, laat hij daar zijn kamelen knielen. En hij bidt om een teken wie het meisje is dat hij zoekt. Hij zoekt een sterke, gastvrije vrouw blijkbaar. Iemand die niet alleen hem, maar ook zijn kamelen te drinken zal geven met het water dat ze ophaalt uit de put. Rebekka doet het.
Haar gastvrijheid reikt zelfs verder. Deze vreemdeling, een man op reis met kamelen, nodigt ze uit bij hun thuis: we hebben genoeg voor u en uw kamelen. Dan valt de dienaar lovend op zijn knieën. Als Rebekka thuis aankomt en vertelt over de ontmoeting, nemen de mannen het over. Laban, haar broer, haalt de dienaar op. En met vader en broer wordt besloten om Rebekka uit te huwelijken aan de zoon van de geëmigreerde broer. Ze mag met de man mee.
Kostbare geschenken voor Rebekka, voor haar broer, voor haar moeder. Na een nacht slapen wil de dienaar vertrekken, maar Laban zegt: laat haar nog een dag of tien bij ons blijven. De dienaar dringt aan en ze zeggen: goed, laten we het haar zelf vragen. Het meisje kan en wil blijkbaar niet wachten. En dan sturen ze hen op weg, met een zegen, naar Kanaän. Zij en, zo staat er, haar eigen dienaressen, want ook haar vader is een rijk man.
Kijk, en hier zit toch een breukje in het patriarchale van het verhaal. “Laten we het haar zelf vragen.” Rebekka heeft toch enige zeggenschap. Binnen het systeem vindt ze haar eigen ruimte. Rebekka heeft een wil, Rebekka kan besluiten over haar lot. Wat zij doet, doet ertoe, en wat zij wil, doet ertoe. Dat ze ervoor kiest om met de dienaar van een oom die ze nooit heeft gezien (Abraham) mee te reizen naar een ver land waar ze nooit is geweest, om huwelijkspartner te worden van iemand die ze nooit heeft ontmoet, zegt iets over haar moed, haar mentaliteit. Daarvan heeft ze precies genoeg voor het leven dat in Kanaän op haar wacht, als mater familias van een rondtrekkende nomadenstam. En later zal ze ook haar eigen weg kiezen, als ze haar zoon Jakob helpt de zegen van zijn broer Esau af te troggelen.
Wat gebeurt er als ze elkaar ontmoeten? Isaak is die avond naar de bron van Lachai Roï gegaan, om te mijmeren. De bron die door de tot slaaf gemaakte Hagar zo genoemd is, toen ze vluchtte in de Negev omdat ze zo door Sara mishandeld werd. De Heer ziet mij, betekent dat. Want ze voelde zich door God gezien, onverwacht, en kreeg de belofte van zegen mee. Bij die bron zit Isaak als Rebekka met de karavaan aankomt. En er staat: hij heft zijn ogen op en ziet: daar komen de kamelen. En dan staat er dat Rebekka haar ogen opheft en ziet: Isaak. Bij de bron, herinnering aan God die omziet naar mensen, zien ze elkaar. Dat moet wel symbolisch zijn bedoeld.
Rebekka wordt de vrouw van Isaak. En, zo staat er, hij krijgt haar lief en zo wordt Isaak getroost na de dood van zijn moeder. Blijkbaar was hij verdrietig. En blijkbaar mag dat gewoon benoemd worden.
In zekere zin zijn de aartsvaderverhalen dus patriarchaal. Het zijn ook synoniemen van elkaar trouwens: aartsvader en patriarch. De eerste vader, betekent het, en eerste kan ook als oudste, als gezaghebbende worden uitgelegd. De aartsvaderverhalen, het Oude Testament überhaupt, ademen een cultuur waarin mannen het voor het zeggen hebben, en vrouwen moeten gehoorzamen. Maar ondertussen – lees het verhaal van Rebekka, en eerder ook al van Hagar en Sara – die aartsmoeders zijn niet bepaald onmondig en machteloos. Er is een lijn van vrouwen door het Oude Testament die op scharniermomenten de doorslag geven.
Bij Rebekka, en ook Sara, zou je nog kunnen denken dat zij meer vrijheid hebben omdat ze onderdeel zijn van een rijke familie. En daarom hebben we nog over het sterven van die voedster gelezen. De voedster van Rebekka, die met haar mee werd gestuurd toen de dienaar van Abraham haar vroeg om de vrouw van Isaak te worden. Ze staat in een tussenzinnetje vermeld en je leest daar makkelijk overheen. De voedster, de min, de dienares die haar in plaats van haar moeder gezoogd heeft, wordt met haar meegestuurd. Misschien een oud en vergeten gebruik. Maar denk dan aan die dekselse bijbelschrijvers daar in Babylon, die bij het herschrijven en ordenen van de oude verhalen ergens in de zesde eeuw voor Christus alle kans hadden om deze kleine naam weg te laten. Zij hebben haar bij name genoemd en geschreven hoe zij bij het oerbelangrijke heiligdom van Betel werd begraven. Deze voedster. Deze dienares Debora.
Zo patriarchaal is het Oude Testament dus niet. En het focust niet alleen op de groten en de rijken. Ook de kleinen komen aan bod, krijgen een naam, krijgen een stem. En het besef dat je vreemdeling te gast bent op aarde zit diep ingebakken. Al in 550 voor Christus. Wordt het niet eens tijd dat wij hiernaar gaan leven? Dat begint, telkens weer, met oog krijgen voor het water waarin wij zwemmen, de samenleving waarin we leven. Onze waarden van naastenliefde die tot uitdrukking komt in delen van wat we hebben, komen die in de praktijk van ons leven echt tot hun recht? Luisteren we voldoende naar de stemmen van protest die van onderdrukking en ongelijkwaardigheid roepen? Of sluiten we ze buiten als vervelend, irritant, overdreven, woke omdat ze iets in beweging willen brengen terwijl wij nu juist zo comfortabel zijn met hoe het is?
Moeten we niet vaker zeggen: Laten we het haar zelf vragen?”


