Overdenking bij Genesis 16:1-16; Genesis 21:1-21; Genesis 25:7-16 (Hagar en Ismaël)
De Bijbel is een wonderlijk boek. Niet alleen omdat de verhalen meesterlijk zijn verteld. Ook het verhaal van Hagar van vandaag, het heeft haast iets van een sprookje, eh, Assepoester maar dan veel rauwer en realistischer. Nier alleen vanwege de vertelkunst maar ook omdat er altijd zoveel aanknopingspunten in zitten naar andere bijbelverhalen, én naar de geschiedenis van ons mensen, én naar ons individuele leven. En dat alles doorweven met de relatie met God.
Ik ga proberen vandaag het bijbelverhaal van Hagar en Ismaël uit te vouwen om deze dingen zichtbaar en voelbaar te maken. En ik begin bij het individuele verhaal van Hagar.
Wie is Hagar eigenlijk? Niets weten we van haar. Niet eens haar naam. Want Hagar, ha-ger betekent gewoon: de vreemdeling. Die naam is niet van haar, die is haar gegeven door anderen.
Zij was niet van zichzelf, niet haar eigen bezit maar dat van anderen. Ze is vermoedelijk cadeau gedaan aan Abram, door de farao van Egypte. Zoals je iemand een armband, of een koe cadeau doet.
Een Afrikaanse slavin. Nee, laat ik dat laatste woord niet gebruiken, dat verhult het onrecht dat erachter zit. Een Afrikaanse tot slaaf gemaakte. Met een naam die niet de hare was, maar die haar is opgelegd. Altijd de vreemdeling, nooit vertrouwd of eigen.
Tot in het diepst behandeld als bezit. Waar haar meesters mee konden doen en laten wat ze wilden. Ook haar seksualiteit is niet van haar. Want Sara kan haar aan Abram geven om seks met haar te hebben.
Weet je nog, die grote verontwaardiging wereldwijd toen bekend werd dat de mannen en vrouwen van IS., in het kalifaat – hun paradijs op aarde, ontvoerde yezidi-meisjes als slaaf gebruikten in de huishouding maar ook in bed?
Dat is ook het verhaal van Hagar. Dat is het verhaal van al die vrouwen die, tot op de dag van vandaag, behandeld worden als bezit.
Het is het verhaal van de tot slaaf gemaakten in de Nederlandse kolonie Suriname en op de Nederlandse Antillen. Het is het verhaal van de tot slaaf gemaakten in Nederlands-Indië: pas in 1942 kwam er een einde aan de verkapte vorm van slavernij die contractarbeid heette.
Slavernij is lange tijd ook iets Nederlands geweest.
In zijn boek ‘Wij slaven van Suriname’ schrijft Anton de Kom over slavernij in Suriname. Dat Engelse en Franse plantagehouders die op plantages in Suriname rondkeken, zich verbaasden over de bijzonder sadistische straffen die Nederlandse plantage-eigenaren aan hun tot slaaf gemaakten oplegden.
Het is een ongemakkelijk verhaal uit onze geschiedenis. En dan blijkt vandaag hoe een even ongemakkelijk verhaal ook in de Bijbel staat. Sara is jaloers en wreed. Abram onverschillig tegenover Hagar.
Ze had nog geen kinderen. Ze raakte zwanger – niet door liefde, maar door geweld, door een daad waar ze geen toestemming voor gaf. Maar met dat kind in haar buik, gevolg van een verkrachting en bij zijn geboorte niet haar kind zal zijn maar het kind van haar meesters, met het kind in haar schoot groeit ook een verzet in haar.
In alles is ze ondergeschikt, maar dit kind, dit kind groeit in haar. En wie weet, misschien kreeg ze na de eerste moeilijke maanden wel die uitstraling die je soms ziet bij iemand die in verwachting is. Sara’s plan ontploft in haar gezicht. Ze dacht Hagar te kunnen gebruiken voor een kind van zichzelf, om een einde te maken aan haar angst en onzekerheid in een samenleving waar vrouwen alleen iets waard zijn als ze kinderen krijgen, maar wordt er nu dagelijks aan herinnerd dat zij dit moet doen omdat zwanger zijn haar ontgaat.
Van haar ondergeschikte rol als gebruiksvoorwerp, als misbruikvoorwerp, maakt Hagar een wapen. Het is het enige wapen wat ze heeft. En alle pijn vertaalt zich nu in minachting voor de vrouw die haar dit heeft aangedaan, die zo belachelijk was om te denken dat ze haar kon gebruiken. Zolang ze het kind in zich draagt is het helemaal van haar.
En in haar woede mishandelt Sara Hagar zo erg, dat ze vlucht. Wat Anton de Kom ook ontdekte over de Nederlandse plantage-eigenaren in Suriname, was dat in het bijzonder vrouwelijke eigenaars als wreed bekend stonden. Maar goed, misschien is dat omdat onze cultuur van vrouwen eerder een soort meegaande zachtheid verwacht dan autonome kracht, en alles wat erbij kan komen kijken.
Vluchten was ook geen daad van zwakte. Vluchten was een daad van verzet. Weggaan uit een situatie die niet goed voor jou is, en misschien was Hagar ook wel bang voor het welzijn van het kind dat ze droeg, is geen teken van opgeven of van zwakte. Het hele systeem van slavernij was erop gericht om de tot slaaf gemaakten op hun plek te houden. Ze hadden niets te willen. Ze waren niet van zichzelf en mochten niet zelf bepalen waar ze gingen of stonden. Het weglopen van Hagar is een daad van verzet, van ‘zo kan het niet langer’ van ‘zo wil ik het niet meer.’ Een daad van moed en kracht. Ze kiest vrijheid in de wildernis boven de gevangenis van de slavernij.
En alsof het is om haar keuze te bekrachtigen, komt daar in de wildernis God naar haar toe. En hij spreekt tot haar in de vorm van een engel. God richt zich tot haar. Weet je hoe bijzonder dat is in de Bijbel? Hagar, de vreemdeling, staat op één lijn met Abraham, met Mozes, met Maria. En zij geeft God een naam, God die mij ziet.
God die mij ziet. Want dat is het wonder, zij die als mens over het hoofd gezien wordt, die ongezien misbruikt wordt, die als ze zich zichtbaar maakt wordt weggekeken, zij wordt door God gezien en gehoord. En zo zal dan ook haar kind gaan heten. God hoort mij, Ishmaël.
Ze keert terug – iets wat je als zwak zou kunnen zien, maar door de zwarte vrouwelijke theologen wordt gezegd nee nee, ze keert terug omdat het verstandig is. Ze weet nu dat God haar heeft gezien, dat ze mag leven, dat haar kind toekomst heeft. En dan is het verstandig om voor de zekerheid van het huishouden van Abram en Sara te kiezen en zich als nieuwe daad van verzet te voegen en te overleven tot de toekomst onhoudbaar openbreekt.
We lazen wat er gebeurde toen Isaak geboren werd. Hij lacht betekent dat, want toen er negen maanden eerder engelen bij Abraham op bezoek kwamen die zijn geboorte voorspelden, heeft Sara gelachen in de tent.
Isaaks oudere broer, Ismaël, lacht ook. En opnieuw is het Sara die met achterdocht kijkt, die zich blijkbaar zo minderwaardig voelt dat ze niemand naast zich duldt met als verlengstuk haar kind. Ismaël lacht spottend, vindt Sara. En opnieuw geeft ze Abram een opdracht – stuur haar weg. En nu doet Abram het. Hij geeft haar water en brood mee, en ook het kind, zijn eigen kind, dat ineens overbodig is geworden. Alsof het niets is.
Afgedankt. En ze komt in de woestijn, en het water raakt op en ze weet dat haar jongen gaat sterven. Maar dan is daar opnieuw die engel. En God, die ze eerder ‘een God van het zien’ genoemd heeft, waarin ze het vertrouwen blijkbaar helemaal was kwijtgeraakt, ziet haar opnieuw. Hij komt zijn belofte na. Ismaël, God hoort betekent dat, en God hoort het jongetje kermen en zorgt voor water. Hij leeft als een boogschutter in de woestijn, wordt vader van de woestijnvolken, en trouwt met een Egyptische vrouw.
En ten slotte lezen we dat hij de vader wordt van 12 zonen. Dat getal doet denken aan de 12 zonen van Jakob, de kleinzoon van Abraham, die de 12 stammen van Israël werden. Inderdaad is Ismaël dus een vergelijkbaar groot volk geworden.
De verhalen van Abraham zijn misschien wel 3000 jaar oud, maar slavernij is van alle tijden. En ook de rol waarin Hagar wordt gedrukt is van alle tijden. Vrouwen hebben zich in haar verhaal herkend. Daarin vooropgegaan door zwarte vrouwen, trouwens, de nakomelingen van tot slaaf gemaakten. Hagar was Egyptisch, Afrikaans dus, zeggen zij. In Egypte was de elite immers lichter gekleurd, en waren slaven vaak afkomstig uit zuidelijke landen waar mensen een donkerder huidskleur hadden.
Zij zeggen en schrijven: Hagar is een vreemdeling, haar naam betekent zelfs vreemdeling, of vluchteling zou je ook kunnen zeggen. Haar naam is niet van haar, het woord waarmee ze haar roepen. Haar lichaam is niet van haar en kan op afroep worden misbruikt. Maar ze komt in verzet door het leven te omarmen. Het leven in haar buik, haar eigen leven. Ze heeft haar zinnen op een eigen toekomst gezet. En zie, zij wordt door God gezien. En op dezelfde lijn gezet als Abram en Sara, als Mozes en Maria. Want God belooft haar toekomst en maakt die belofte waar.
Voor iedereen die zich niet gezien voelt krijgt God in dit verhaal een nieuwe naam: El Roy, de God die mij ziet. God ziet jou en hoort jou en wil toekomst voor jou. Je mag opstaan. De wildernis in, of daaruit terugkeren, je mag voor jouw toekomst kiezen.
Het verhaal van Hagar is ongemakkelijk. Het vertelt hoe het in het verleden is gegaan, en brengt ook in de geloofsgemeenschap en de kerk dichterbij wat slavernij is en doet.
Deze week vierden we dat nog maar honderdzestig jaar geleden de ketens werden verbroken. In 1863. Op papier. Nederland was al het laatste Westerse land waar slavernij werd afgeschaft, en daarna moesten tot slaaf gemaakten nog 10 jaar doorwerken op de plantages, dus 1873 is eigenlijk de datum. Maar vergeet de contractarbeiders op Deli niet, van wie de uitbuiting pas in 1942 ophield, toen de Japanners binnenvielen. Slavernij is dichterbij ons dan je denkt.
Ook voor de bijbelschrijvers zelf is het een ongemakkelijk verhaal. Het is heel oud, maar werd in deze vorm pas opgeschreven rond 550 voor onze jaartelling. Door mensen in ballingschap. Die zichzelf vreemdelingen, vluchtelingen voelden. Het zou mij niets verbazen als de naam Hagar, vreemdeling, en de herhaling dat zij een Egyptische was, van hun afkomstig zijn. Want Exodus komt hierna, waarin het volk vreemdeling in Egypte is, en door God wordt gehoord en bevrijd.
Door alles heen dus, voor de gelovige lezers in ballingschap, voor de gelovige lezers van vandaag, voor iedereen die zich vreemdeling voelt, geen gezag over eigen lichaam of omstandigheden, weggedrukt, over het hoofd gezien klinkt die naam, die bron van vreugde en vertrouwen voor Hagar, en voor ons allemaal: God is een God die ziet en toekomst geeft.


