Overweging bij Genesis 12 en Genesis 11.
Bij het begin van de lezing vanmorgen, over Abrams vader Terach, dacht ik wel even, o, wat vreemd. Wat een vreemd begin zo, om te vermelden dat zijn zoon is overleden en dat hij daarna op reis gaat. Want is dat nou relevant voor het verhaal? Wordt het er anders van als je het weglaat, nee… nou ja het is in ieder geval een verklaring voor het gegeven dat Abrams neef Lot met hem mee reist. Maar in het grotere verband der dingen zou het toch genoeg zijn geweest om te vertellen dat Terach reisde van Ur der Chaldeeën naar Charan?
Maar toen dacht ik nee. Het zijn juist deze menselijke details die de Bijbelverhalen hun kracht geven. Je kunt het je voorstellen, dat iemand niet meer daar wil zijn waar hij zijn kind verloren heeft. Net zoals het andersom soms waar kan zijn, dat je je juist hecht aan de plek waar alle herinneringen leven.
Een klein menselijk feitje. De Bijbel staat er vol mee. De verhalen gaan erdoor leven en komen dichterbij.
Ik ga het vanmorgen hebben over het ‘beloofde land’, waar je aan moet denken als je de beloftes aan Abram hoort. En we zullen hopelijk zien dat het meer om de belofte gaat dan om het land dat daarmee verbonden is. Het verhaal van een belofte dat je helpt vol te houden als je ver van huis bent.
Er is iets met dat ‘beloofde land’ in de Bijbel. Het land Kanaän. En niet alleen Exodus, over de vlucht uit Egypte en de reis door de woestijn gaat erover, maar ook de verhalen van Abram. Bij mij roept het een soort droombeeld op, blijkbaar is het zo bij mij blijven hangen. En als we dan lezen over hoe Abram het hele land doortrekt, en op bepaalde plaatsen altaren opricht voor God, dan stel ik me een soort leeg land voor. De plaatjes in de kinderbijbel lieten de tent van Abram altijd zien in een soort wijde ruige vlakte, misschien komt het daardoor?
Dat soort plaatjes zijn onzin. Net als het Wilde Westen dat volop bewoond was toen de Amerikaanse kolonisten naar het Westen trokken, was ook Kanaän geen leeg land toen Abram erdoorheen trok. We lazen het ‘in die tijd werd het land bewoond door de Kanaänieten.’ En als je de archeologen moet geloven waren Sichem, en Betel al duizenden jaren voor onze jaartelling steden. Met muren en huizen en tempels. Met eromheen landbouwgebied. Abram, als hij al door Kanaän zou hebben getrokken, trok door een bewoonde wereld.
En hij reisde trouwens ook niet met een klein tentje en alleen Saraï en Lot bij zich. We lazen hoe rijk hij was, hij moet knechten hebben gehad voor zijn kuddes, hij had slaven en slavinnen.
Dat ‘beloofde land’ was dus geen leeg land maar het werd bewoond. Abram zet zijn tenten op onder de neus van de inwoners, blijkbaar kan dat. Er trokken wel meer karavanen door het gebied, van Charan naar Egypte en terug. Maar wat hij ook doet, is altaren oprichten voor zijn eigen God. Onder de neus van de Kanaänieten, als een soort daad van verzet, een tegenstem tegen hun goden. En met zijn altaren wijdt hij het land als het ware al aan God, lang voordat zijn nakomelingen zich er zullen vestigen.
Blijkbaar kan het, zijn de Kanaänieten tolerant. En Abram zelf gebruikt geen geweld om het land tot zijn bezit te maken. Het is beloofd land, en hij vertrouwt erop dat God wel zal doen wat hij belooft, ook als Abram het zelf niet meer zal meemaken. In het hele Bijbelboek Genesis blijft het ‘het beloofde land’ en is het nooit ‘het eigen land’. Abram blijft een vreemdeling, een reiziger op zoek naar streken om zijn kuddes te laten grazen.
Het is geen leeg land, Kanaän, en Abram neemt het niet in bezit, maar leeft als vreemdeling vertrouwend op een belofte dat zijn nakomelingen ooit een groot volk zullen zijn in dit land. “Ik zal je tot een groot volk maken” zei God tegen hem. “Ik zal je zegenen, je naam veel aanzien geven, een bron van zegen zul je zijn.” “In jou zullen alle volken op aarde gezegend worden.” En hoor je hoe inclusief de belofte is.
Als je daar de nadruk op legt, komt beloofde land er ineens een heel anders uit te zien. Het gaat niet om van wie het land is, maar hoe het er in het land aan toegaat. En God zal daar door Abraham voor velen tot zegen zijn. Dat is althans de bedoeling, de belofte.
We weten allemaal wat een struggle het is om in dat land van belofte elkaar tot zegen te zijn, en zo de zegen van God door te geven.
Het is misschien een beetje flauw om de archeologie erbij te halen, en op basis daarvan aan te geven dat de tijdlijn van het Oude Testament niet kan kloppen. Dan leggen we de vinger op een zere plek die voor de Bijbelschrijvers helemaal niet zo’n pijn zal hebben gedaan. Zij waren niet bezig met het schrijven van geschiedenis zoals wij dat tegenwoordig doen. Ze wilden het niet zo precies mogelijk opschrijven als het ooit was gebeurd. Ze waren meer bezig met hoe ze hun oude verhalen zo konden opschrijven dat ze van betekenis waren voor hun tijd.
En hun tijd dat was de ballingschap in Babylon, tussen 600 en 500 voor onze jaartelling. Ze waren hun land kwijt, geen wonder dat dat beloofde land in de verhalen zo belangrijk is. Ze moesten leven onder vreemde heersers, hun geloof in de praktijk brengen zonder tempel. Hoe doe je dat? In de verhalen van Abram en Sara vinden we antwoorden. En de belangrijkste vraag is misschien wel: hoe houden we moed en vertrouwen op onze God, terwijl het onzeker is of we ooit zelf ons land terug zullen zien? Alleen maar kunnen hopen dat onze kinderen of hun kinderen er weer zullen wonen. Dat God het onze nakomelingen zal geven.
Het lijkt het verhaal van de verdreven Palestijnen wel. En op een andere manier, zij zijn langzamerhand de hoop op een eigen staat op voorouderlijke grond verloren, de Molukse Nederlanders… hoe houd je vast aan de identiteit van je voorouders en doe je toch volledig mee in de samenleving waar je overgrootouders, grootouders of ouders tegen hun wil deel van uit moesten gaan maken.
Door elkaar de verhalen te blijven vertellen. Zoals in Babylon de bijbelschrijvers deden. Het is niet voor niets dat ze de vader van Abram, Terach, een reis laten maken van het Zuiden van Irak naar het noordoosten van Syrië: dat is ook de route die de ballingen zouden afleggen als ze weer terug naar huis zouden mogen reizen. En Kanaän is in die verhalen niet zozeer een land als wel een symbool. Een belofte van zegen, bron van hoop: God belooft een toekomst ook al lijkt die nog ver weg.
Voor vluchtelingen, verdrevenen, of iedereen die zich thuisloos voelt: Abram leert ons vertrouwen te houden, ook als de toekomst onzeker is. Voor ons allemaal: Het beloofde land is geen fysieke plek, maar een roeping om zegen te zijn voor anderen – door gerechtigheid, inclusiviteit, en vertrouwen te leven. Ook al voel je je letterlijk of figuurlijk ver van huis.
Bronnen: o.a. Ecumenical Review, New Humanity Institute, Claude Mariottini


