Overdenking bij Handelingen 10
Lieve mensen,
Ten aanzien van beroemdheden zijn we altijd een beetje ambivalent. Aan de ene kant hijsen we ze op een voetstuk, willen we ons met hen verbinden, alsof iets van hun status op ons afstraalt. Aan de andere kant willen we maar één ding: kunnen zeggen dat ze ondanks hun bijzonderheid zo lekker gewoon zijn gebleven.
De mensen die in de eerste eeuwen van onze jaartelling het verhaal over centurio Cornelius hoorden, zullen hun oren hebben gespitst. Want Cornelius – die achternaam was erg beroemd. Hij verwijst naar een vooraanstaande familie in het oude Rome: de Cornelia’s. Meer dan 700 jaar lang bracht deze familie vooraanstaande politici en generaals voort.
Net zoals hier in Eelde mensen met dezelfde namen bijnamen kregen – om al die Arendsen en Van Bergens uit elkaar te houden – gold dat ook voor de mannen uit het geslacht Cornelia. Cornelius Scipio – de staf – had zijn bijnaam omdat hij als een blindenstaf zijn vader begeleidde. Anderen werden genoemd naar uiterlijke of karakteristieke kenmerken, zoals Cornelius ‘de neus’ of ‘klein hartje’. Of ze kregen als generaals de namen van hun roemrijke veldtochten: Cornelius Africanus of Asiaticus – je hoort wel in welke richting ze waren getrokken.
In die tijd van het Nieuwe Testament was er in de Romeinse regering een regeringsvertegenwoordiger, een consul met de naam Cornelius. Het is dus niet onmogelijk dat er daadwerkelijk ook een centurio uit de familie Cornelia toetrad tot de volgelingen van Jezus, zoals we lezen in Handelingen – goed nieuws voor de vroege gemeenschap. En goed voor het imago misschien?
De kerk in Nederland heeft dat vandaag de dag ook nog wel nodig: beroemdheden onder je gelederen. Daar gaat toch wel wat van uit. Het normaliseert het een beetje om christen te zijn. Oh kijk, mijn voetbalidool is christelijk. Oh kijk, die BN’er staat er niet vreemd tegenover. Misschien zijn die andere christelijke mensen dan ook wel niet zo vreemd. Kerkgenootschappen en omroepen zetten christelijke beroemdheden in de schijnwerpers in de hoop dat het mensen nieuwsgierig maakt. Want hé, als zij zich er laten zien, dan past het misschien ook wel bij mij.
En eerlijk gezegd vind ik het ook wel eens lekker als er in de pers normaal over het christendom gedaan wordt. Het is fijn om, in plaats van schaamte voor wat onze broeders en zusters de wereld soms in christusnaam aan doen, soms even een momentje van trots te voelen
Maar wacht even. De Romeinen waren toch de bezetters van Palestina? Die de laatste grote opstand hadden neergeslagen. Was Cornelius dan niet de vijand?
Blijkbaar lagen de verhoudingen in Judea anders. De culturen liepen in elkaar over. Cornelius was een vroom man die God vereerde en zich in het sociale verkeer liet zien als iemand die de joodse God was toegedaan. Dat was in die eeuw niet zo vreemd. Al sinds 300 voor Christus stond Judea onder Griekse invloed. Grieks was de taal die overal in het Romeinse Rijk gesproken werd. Wijzen en filosofen discussieerden en wisselden kennis uit. Ook de Romeinen waren ‘gehelleniseerd’: ze hadden elementen van de Griekse cultuur overgenomen. Dat zorgde voor religieuze tolerantie. De joodse God Jahweh was voor Romeinen dezelfde als de Griekse Ouranos en de Romeinse Caelus.
Dat maakte een overstap zoals die van Cornelius naar het jodendom eenvoudiger. Maar de laatste stap had hij nog niet gezet: hij was nog niet besneden, nog niet ritueel rein. Een zogeheten proseliet was hij. En daar sluit het verhaal aan bij het visioen dat Petrus krijgt. Een tafelkleed wordt hem uit de hemel gegeven. Een stem zegt: Slacht en eet. In het jodendom is slachten voorbehouden aan een speciale slachter; als iemand anders slacht, is het vlees niet kosher. En er zijn strenge wetten over wat wel en niet gegeten mag worden. Sommige dieren zijn niet rein.
Petrus krijgt alle dieren op een presenteerblaadje: Slacht en eet. Met andere woorden: neem tot je wat volgens de wet onrein is. Als hij weigert, zegt de stem: Wat God rein heeft verklaard, zul jij niet als verwerpelijk beschouwen.
Dit is de kern: God maakt geen onderscheid. Voor God zijn er geen drempels, geen hokjes. Het enige wat nodig is, is het doen van barmhartigheid en een zoeken naar God.
Als Petrus bij Cornelius aankomt, komt die naar buiten om zich daar voor zijn voeten te werpen. De centurion weet dat het niet toegestaan is voor een jood om het huis van een heiden binnen te gaan. Maar Petrus raapt hem op en gaat letterlijk de drempel over, het huis binnen. Als de centurio over zijn visioen vertelt, zegt Petrus: ‘Nu begrijp ik pas goed dat God geen onderscheid maakt tussen mensen, maar dat Hij zich het lot aantrekt van iedereen, uit welk volk dan ook, die ontzag voor Hem heeft en rechtvaardig handelt.’
Op deze plek zien we dat de joodse volgelingen van Jezus een universele interpretatie gaven aan hun geloof. Het is niet alleen voor joden, voor besnedenen, maar ook voor onbesnedenen. Als om dat te onderstrepen, daalt de Geest op de heidenen neer. Petrus doopt Cornelius en zijn gezin. Wie ontzag heeft voor God en rechtvaardig handelt, hoort erbij. Ongeacht afkomst of status. We weten dat in de vijftig jaar na Handelingen het aantal Romeinse christenen groeide. Dit verhaal zal daar zeker een rol bij hebben gespeeld.
Ik ga geen nieuw thema aansnijden – twee preken in één is altijd een gebed zonder einde. Maar samenvattend zien we dat Cornelius erbij wil horen. Een beroemde naam. Een man uit een groots geslacht. Een centurio die zich aan de voeten werpt van een eenvoudige visser die bij een stinkende leerlooier verblijft. Waarop die visser zegt: Sta op, ik ben ook maar een mens. Waarmee hij suggereert: jij bent ook maar een mens. We zijn allebei gewone mensen. En dat is voor God genoeg.
Je zou maar Cornelius heten: Cornelia, Nel, Cornelis, Kees. Dan ben je gewoon bijzonder. Net als alle anderen. En als je barmhartigheid doet en God zoekt, dan hoor je er voor hem helemaal bij.


