Kom van die berg af

Overdenking bij 

Exodus 24:12-18 en
Mattheüs 17:1-13

Mattheüs plaatst Jezus midden in de joodse traditie. Daarmee bedoel ik dat hij, als het levensverhaal van Jezus zoals hij dat kent het maar even toelaat, een verband laat zien tussen diens leven en de heilige verhalen. Het verhaal van God en mensen is Mattheus’ referentiekader, waarbij hij vooral de Tora gebruikt (dat is het joodse woord voor de eerste vijf boeken van de Bijbel), en de profetenboeken.

En ja, hij permitteert zich daarbij dezelfde dichterlijke vrijheid die de joodse omgang met de Bijbel kenmerkt: als je een verband kunt scheppen, dan mag je dat ook doen.

Het evangelie van Mattheüs is meer dan een biografie in moderne betekenis. Het is een biografie zoals ze die in de oudheid schreven: een verhaal dat niet alleen feitelijke gebeurtenissen opdist uit het leven van de hoofdpersoon, maar ook uitleg geeft aan die gebeurtenissen. Daardoor is een evangelie niet alleen een verhaal dat achteraf is opgeschreven om op iemand terug te kijken, het is ook een verhaal dat als het ware vooruit kijkt, de wereld-veranderende impact van de hoofdpersoon voor de lezers duidelijk maakt.

Mattheüs plaatst dus Jezus midden in de joodse traditie. Een clue daarvoor is dat Jezus vandaag zijn leerlingen meeneemt “een hoge berg op”. Om de betekenis daarvan te kunnen voelen, hebben we zonet een kerngedeelte uit de Tora gelezen. We lazen hoe de belangrijkste figuur uit de Tora, Mozes, samen met zijn trouwe leerling Jozua de berg Sinaï opgaat om de verbondsregels, de geboden te ontvangen.

Even iets over dat verhaal.

De berg raakt precies op het moment dat Mozes en Jozua boven zijn, overdekt met een wolk. God is aanwezig in die wolk. En zo’n wolk komt vaker voor in het bijbelboek Exodus. De lezers kennen die wolk nog wel van tien hoofdstukken eerder, als het volk net is weggevlucht uit Egypte. De Heer ging voor de gevluchte slaven uit om hun de weg te wijzen, ’s nachts in een vuurzuil, overdag in een wolkkolom.

Het is dus niet gek dat er in datzelfde Bijbelboek opnieuw een wolk verschijnt als God aanwezig is. Het is zelfs opnieuw wolk die de weg wijst, maar nu dan de weg van de geboden, aan het volk, via Mozes. Ook de vuurzuil die ’s nachts de weg aanwees is trouwens daar, want de majesteit van de Heer is vanaf de voet van de berg te zien als een laaiend vuur op de bergtop.

Berg, wolk, Gods aanwezigheid. Het is overduidelijk dat Mattheüs dat we aan precies dit verhaal uit Exodus denken, wanneer hij vertelt hoe nu niet Mozes maar Jezus zijn trouwe leerlingen meeneemt een hoge berg op. En een stralende wolk overdekt hen, waaruit de stem van de Heer klinkt. De berg, de wolk, de Heer, ze rijmen met elkaar.

En als het verband nog niet duidelijk was: Mozes verschijnt aan de leerlingen druk in gesprek met Jezus.

Mozes is niet de enige die spreekt met Jezus, daar op de berg, in het verhaal van Mattheüs. Ook Elia verschijnt daar op de top van de berg. En ook dat is een belangrijke figuur in de joodse traditie, zeker in de eeuwen rond het begin van onze jaartelling was hij dat.

Elia is allereerst misschien wel de belangrijkste profeet, die zich actief verzette tegen de slechte heersers en hun afgoden, die allerlei wonderen verrichtte en aan het einde van zijn leven niet stierf, maar in een vurige wagen naar de hemelen werd gebracht.

Spectaculaire verhalen dus, en die hemelvaart houdt de mogelijkheid in dat Elia ooit zal terugkeren. Hij is immers niet verdwenen in de dood, zoals men geloofde dat iedereen na dit leven deed. Deze mogelijkheid tot terugkeer werd in het geloof verbonden aan het geloof in de Messias, Gods nieuwe koning. Eerst zou Elia terugkeren, en die zou de komst van de Messias voorbereiden.

Elia roept niet alleen de gedachte aan de Messias op bij de lezers. Hij verschijnt op de top van deze berg met Jesus en Mozes, omdat ook hij iets met een berg heeft. Het is dat beroemde verhaal, waarin Elia na een soort van burn-out, gesterkt door speciaal voedsel dat hij van een engel krijgt, veertig dagen en nachten door de woestijn loopt naar de berg Horeb. En als hij de berg beklommen heeft, komt God naar hem toe en spreekt met hem. God is niet in de wind, niet in de aardbeving, niet in het vuur, maar in het gefluister van… precies: een zachte bries.

Dus Mozes ontmoet God op een berg. Elia ontmoet God op een berg. En Gods stem klinkt daar rechtstreeks, tot hen.

Als je vanuit dat perspectief het verhaal in Mattheüs leest, over wie gaat dat verhaal dan eigenlijk? Wie spreekt Gods stem aan in het verhaal van Mattheüs? ‘Dit is mijn geliefde Zoon, in Hem vind Ik vreugde. Luister naar Hem!’ God spreekt uit de stralende wolk tegen de leerlingen. Niet tegen Jezus zelf.

We hebben hier dus niet te maken met een verhaal over Jezus zelf, maar dit is een verhaal dat draait om zijn leerlingen. Zij krijgen het visioen. Zij zien Jezus van gestalte veranderen en met Mozes en Elia praten. Zij horen de stem van God. De leerlingen en wat ze zien en horen staan centraal in het verhaal.

De twee beroemde mensen uit de joodse godsdienstgeschiedenis die rechtstreeks in gesprek waren met God, zijn in het visioen van de leerlingen in gesprek met Jezus. Zoals ze in de oude verhalen met God spraken, spreken ze nu met Jezus. Jezus in een soort stralende gestalte. Zou Mattheüs daarmee suggereren dat de leerlingen in hun visioen zien dat Jezus en God dezelfde zijn?

Ik denk het wel. Want op die manier kun je ook verklaren dat de stem uit de wolk tegen de leerlingen zegt: dit is mijn geliefde Zoon, luister naar hem. God zelf zegt vanuit de wolk tegen de leerlingen, dat in gesprek zijn met Jezus gelijk staat aan in gesprek zijn met de Eeuwige. Jezus is niet een nieuwe Mozes of een nieuwe Elia, de leerlingen zijn een soort Mozes, zijn als Elia die de berg opklimt en God ontmoet. God die aangeeft dat Jezus hem representeert.

Luister naar hem. Met die woorden sterft het visioen weg. Luister naar hem, en het eerste wat Jezus zegt als hij dichterbij is gekomen en hen heeft aangeraakt is: “sta op, wees niet bang.” Natuurlijk is dat een reactie op hun angst. Maar het is tegelijkertijd iets groters. Jezus komt op hun af in hun angst en zegt sta op, wees niet bang. Hij raakt ze aan, hetzelfde werkwoord dat gebruikt wordt voor het op de been helpen van zieken. Het is geen ‘wees niet bang’ van een afstandje, van iemand die makkelijk praten heeft. Het komt van iemand die bij jou neerknielt, daar waar jij bent. Sta op, wees niet bang. Zou dat niet haast een samenvatting kunnen zijn van wie Jezus is, volgens Mattheüs? En daarna dalen ze nog verder af, de berg af.

Ik moet denken aan de woorden van dat oude gezang. Omdat hij niet ver wou zijn is de Heer gekomen. Midden in wat mensen zijn heeft hij willen wonen. Voor de ontmoeting met God hoeven we geen berg meer op, en hoeven we ook niet oog in oog te staan met de eeuwige, wat een overweldigend en angstwekkend gezicht is. Nee, in Jezus komt God ons tegemoet en raakt ons aan en zegt: sta op, wees niet bang. En hij trekt zelfs met ons mee de wereld in

Niet met stenen tafelen onder hun arm dalen de leerlingen de berg af, maar met de opdracht om te luisteren naar wat Jezus hun zegt. En misschien zelfs wel te doen wat hij deed.

En dat hebben ze gedaan. En dat doen we tot op de dag van vandaag. Dichtbij durven zijn. “Sta op” durven zeggen. En: “wees niet bang.”