Een overdenking in 6 hoofdstukjes.
Over Genesis 2:8 – 3:15 en Mattheüs 4:1-11
1: de tuin
De tuin in Eden. Stromen water ontspringen er. Vruchtdragende bomen schieten erop, die heerlijke vruchten dragen, en de rivieren die in Eden ontspringen stromen door de rijkste en vruchtbaarste gebieden van het Midden-Oosten en Noord-Afrika, gebieden waar je amberbomen vindt met geurige hars, waar de bodem edelstenen en goud in zich draagt. Tuin van Eden, in het Hebreeuws Gan Eden, verwijst dan ook niet naar een geografische plek. Het is een mythische plek, je zou het kunnen vertalen met ‘geluksland’.
In die tuin plaatst God de mens die hij gemaakt heeft. De mens, gemaakt uit vruchtbare aarde, kreeg de levensadem door God in de neus geblazen en werd aldus, staat er, een levende ziel. Bewerk de tuin, en waak erover, dat is de opdracht die de mens krijgt.
Met andere woorden: wij kunnen niet scheppen uit niets, maar kunnen wel verantwoordelijkheid nemen voor wat God geschapen heeft. Om de tuin van de wereld te bewaren, om te zorgen dat het leven in al zijn vormen daar kan gedijen, en met een beetje orde alles te beschermen tegen de krachten van de chaos.
2: niet alleen
De tuin van Eden heeft in het begin alleen maar planten en bomen. Maar dan worden toch ook dieren gemaakt en de vogels. Om te zorgen dat de mens niet alleen is. Om de mens een helper te geven die bij hem past.
God maakt de vogels en de dieren tot wat ze zijn. De mens maakt ze tot wie ze zijn, door ze een naam te geven. Wij zijn als scheppers naast God de namengevers, in het benoemen schuilt scheppende kracht. Wees voorzichtig met hoe je een ander noemt.
Een passende helper zit er helaas niet bij. En daarom maakt God nog een mens, uit het lichaam van de eerste. Zelfde vlees en bloed. En zo komt het, zeggen de schrijvers, dat ieder mens na geboorte en opgroeien op zoek gaat naar een ander om één mee te worden. De mens was immers een met een ander, in den beginne.
In het werk van Plato, uit ongeveer 380 voor het begin van onze jaartelling, iets jonger dan het bijbelboek Genesis, staat een scheppingsverhaal dat qua thematiek op hetzelfde uitloopt. Namelijk dat de mens niet alleen is.
In een dialoog tussen Socrates en Aristofanes, vertelt die laatste de mythe dat ooit, lang geleden, het mannelijke en het vrouwelijke een waren. De mens was toen een wezen met twee paar armen en twee paar benen en twee hoofden. Deze mens was geducht wat betreft hun lichaamskracht en hun uithoudingsvermogen. En, misschien daarom, hadden deze mensen een enorme eigendunk. Ze probeerden dan ook een tocht omhoog te maken naar de hemel, om de goden aan te vallen. Hun plek in te nemen misschien.
De oppergod Zeus wilde daar iets tegen doen, want dit mocht natuurlijk niet gebeuren. Maar wat… ze doden kon niet, want dan zouden de goden hun offers en heiligdommen moeten missen. Toen verzon hij het volgende, vertelt de mythe.
Zeus sneed iedere mensengestalte in twee delen, zoals tuinders een tamme lijsterbes in tweeën snijden. Nu had de mens twee benen, twee armen en een hoofd. Apollo, de god die de vader zou worden van Aesclepius de god van de geneeskunde, kreeg van Zeus de opdracht om de wond die door het snijden was ontstaan, te genezen. De huid moest hij samenbinden midden op wat nu de buik heet. Het knoopje werd onze navel. En Zeus beval Apollo ook om het hoofd en de nek van de mens te draaien zodat de mens altijd diens navel zou zien, en zich de hoogmoed zou herinneren, en zich voortaan fatsoenlijk zou gedragen.
Ooit waren we twee, nu zijn we slechts nog één. En daarom zoeken wij, zegt de mythe, aldoor naar die ene ander die ons weer heel kan maken, om ons weer samen één te voelen. De mens zoekt naar een wederhelft.
3: de verhalen lijken op elkaar
In beide mythes, die bij Plato en die in Genesis, komt het menselijke verlangen om niet alleen te zijn ter sprake. En dat wordt gekoppeld aan een oertoestand waarin de mens samen was, één was met degene, die vervolgens ineens ‘de ander’ is geworden.
Ik herhaal maar even, dat dit een omschrijving is van hoe men het zag in de tijd dat de mythes werden opgetekend. Het is geen regel, geen voorschrift van hoe het zou moeten zijn. Door de eeuwen heen is er meer oog gekomen voor de variatie tussen mensen. Er zijn mensen die helemaal niet het verlangen naar eenwording met een ander hebben. Goede vriendschappen zijn genoeg. Laat staan dat iedere man verlangt naar een vrouw, of andersom. En we komen erachter dat wat we mannelijk noemen en wat vrouwelijk lang niet altijd overeenkomt met de naam die mensen zichzelf willen geven.
Naast het verlangen naar eenwording met een ander, is er nog een belangrijke overeenkomst tussen de beide mythes. De hoogmoed die vóór de val komt. In de mythe van Plato wil de mens de hemel bestormen en de goden naar de kroon steken.
En in het scheppingsverhaal van Genesis 2 is de mens een bedreiging voor zijn schepper geworden, door te eten van de boom van kennis van goed en kwaad. Dat mocht niet. God maakt zich aan het einde van het verhaal dan ook zorgen dat de mens nu aan hem gelijk is geworden door die kennis. En om te voorkomen dat hij ook nog onsterfelijk wordt door van de boom van het leven te eten, wordt de mens het paradijs uitgegooid.
4: kennis van goed en kwaad
Het blijft een mysterieus gegeven, wat er nu precies bedoeld wordt met het eten van die boom van kennis van goed en kwaad. En ook waarom dat verboden was.
Want waarom heeft God boom van de kennis van goed en kwaad dan in het paradijs laten opschieten, vraag je je af. Alleen om zelf van te eten? Of als een soort test? En is het dan geen fout in de schepping dat er een slang geschapen is die met gespleten tong de mens tot ongehoorzaamheid brengt?
Of… was het een fout van de schepper om de mens te verbieden van die boom te eten? Door dat verbod wist de mens niet van goed en kwaad, en kon de mens dus ook niet kiezen tussen die twee. En… hoe zalige onwetendheid ook kan zijn, een paradijs zonder keuzevrijheid is natuurlijk geen paradijs. En keuzevrijheid houdt in dat je verkeerde keuzes moet kunnen maken. Anders doet wat je kiest er niet toe.
Even door denkend… als wij de schepping meehelpen voltooien, vraagt dat creativiteit. En creativiteit betekent experiment, betekent ook buiten de lijntjes kleuren.
Maar goed, je kunt een mythe ook overvragen, met vragen die de schrijvers van toen zich nog helemaal niet stelden.
Wat er zeker wel in zit, en wat we vaak over het hoofd zien bij dit verhaal, is dat het van grote betekenis is dat we kennis van goed en kwaad hebben. Dat we weten wat goed is en wat kwaad, geeft ons verantwoordelijkheid. Deze kennis is goddelijk. En als er iets is wat goddelijkheid inhoudt, zie de mythe, is dat zorgzaam en zorgvuldig omgaan met wat hij heeft gemaakt.
5: de schaamte
De kennis van goed en kwaad is het rechtstreekse gevolg van de gooi naar goddelijkheid van de eerste mens.
Bij Plato is onze navel een blijvend teken van de hoogmoed van de mens. Een waarschuwing. Zo draagt de mens volgens Genesis ook een blijvend teken, maar dan een psychologisch teken. Een waarschuwing. En dat is de schaamte.
“Toen de mens en zijn vrouw de HEER God in de koelte van de avondwind door de tuin hoorden wandelen, verborgen zij zich voor Hem tussen de bomen. Maar de HEER God riep de mens: ‘Waar ben je?’” Hij antwoordde: ‘Ik hoorde U in de tuin en werd bang omdat ik naakt ben; daarom verborg ik me.’
Als je geen kennis van goed en kwaad hebt, kun je jezelf ook niet schamen. De navelstaarderige schaamte is een teken dat jij van binnen weet dat je een grens hebt overschreden, een innerlijke waarschuwing dat je iets hebt gedaan dat niet goed is.
Wanneer we de neiging hebben ons te verstoppen voor God of voor wat we weten dat goed is, is dat een teken dat we heel goed weten dat er iets mis is gegaan.
Zonder kennis van goed en kwaad heeft de mens geen schaamte. Met de goddelijke verantwoordelijkheid van kennis van goed en kwaad, doet ook de schaamte zijn intrede. Schaamte laat zien dat je een moreel kompas hebt.
Schaamteloosheid laat zien dat dit morele kompas kapot is, of wordt genegeerd. Daarom spreken we over schaamteloze zelfverrijking. Schaamteloos machtsmisbruik. Schaamteloze leugens. Plaatsvervangende schaamte.
Je zou de wereld wel wat meer schaamte toewensen. Niet de schaamte om wie je bent, of hoe je eruitziet, absoluut niet. God roept de mens tevoorschijn, mens waar ben je, je mag gezien worden. Maar meer schaamte als waarschuwing dat de grens naar hoogmoed en egoïsme overschreden wordt. Tot schade van de schepping.
6: Jezus en het paradijs
De wereld waarin wij leven is geen paradijs. Geen Gan Eden, geen geluksland. Nee, het is eerder een woestijn. Als de beproever opduikt bij Jezus in de woestijn, wil dat dus iets zeggen over de wereld waarin wij zijn terecht gekomen. En hoe we ons daar kunnen handhaven.
Wat de beproever, de Satan doet is Jezus steeds weer uitnodigen tot hoogmoedigheid. Verhef jezelf tot macht, groei exponentieel, ontgroei het gewone volk en keer je ervan af. En offer om dat te bereiken je moreel kompas.
Maar zo’n leider is Jezus niet. Hij is meer van de nederigheid dan van de macht. Meer van de overgave dan van het ellebogenwerk. Realiseert zich dat de wereld enkel een paradijs kan zijn waar mensen elkaar dienen. Want in die zin is het niet goed, dat de mens alleen is.
We zijn elkaars vlees en bloed.


