Overdenking bij
1 Koningen 19:19-21 en
Marcus 1:14-20
“De schepping van de wereld is voltooid. Het grootste en zwaarste deel van het scheppingswerk is echter nog niet voltooid, (dat) is nog in de maak. Dat deel is de geschiedenis. Voor het realiseren van Zijn grote plannen heeft God de hulp nodig van de mens. De mens is, en heeft, het instrument dat hij al dan niet kan gebruiken in overeenstemming met Gods plan. Het leven is klei en gerechtigheid is de vorm waarin God de geschiedenis gekneed wil hebben.”
Dit zijn woorden van de bekende Pools-Amerikaanse rabbijn Abraham Joschua Heschel. Hij schrijft over het joodse idee van het koninkrijk van God dat deels gerealiseerd is in de schepping en deels nog gerealiseerd moet worden, door het handelen van mensen. Als die mensen God accepteren als koning over de wereld zullen ze stap voor stap zijn koningschap zichtbaar maken in hun daden van gerechtigheid, in overeenstemming met zijn verordeningen.
In de rabbijnse traditie heeft de realisering van Gods koningschap in de wereld dus twee kanten: enerzijds is het een opdracht die de mensen moeten uitvoeren, anderzijds is het een gebeuren waarnaar we uitzien.
Als Jezus zegt: het koninkrijk van God is nabij, bedoelt hij dus dat die twee kanten elkaar genaderd zijn. Het is bijna zover, en je ervaart het nadrukkelijk als je probeert te zoeken naar en te leven uit Gods goede waarden.
De tijd is gekomen dat het echt urgent is nu.
Dat kleurde zijn beeld van de wereld, dat gaf richting aan zijn handelen. En met die boodschap riep hij de vissers om hem te volgen. Blijkbaar zit er iets in zijn roepen dat raakt. Het is een concrete oproep om deel te nemen aan het realiseren van Gods koninkrijk op aarde: een wereld van gerechtigheid, bevrijding en liefde.
Simon, Andreas, Jakobus, Johannes, ze laten hun werk achter, ze laten hun familie achter, en ze volgen hem. Net als Elisa op het moment dat Elia hem aanspreekt.
Ze laten alles achter. Een radicale stap is dat. Ze laten het oude en vertrouwde achter, zonder dat er meteen iets voor in de plaats komt. Het vraagt moed om dat te doen.
Ik gebruik bewust het woord moed. Moed is niet dat je het juiste doet omdat je weet dat je niet bang hoeft te zijn. Moed is het juiste doen, ondanks dat je bang bent. En als ik me in de schoenen van die mensen verplaats, die alles achterlaten, die de straat opgaan dan voel ik wat er bang kan maken. Alleen al de bestaansonzekerheid die ze tegemoet gaan, want waarvan zullen ze moeten leven nu ze het ambacht loslaten dat ze tot nu toe heeft gevoed, het huis dat ze tot nu toe veiligheid bood?
Maar het misschien ook wel de moed van de jeugd: het avontuur dat ze roept nu ze nog maar aan het begin staan van het opbouwen van een eigen leven, de wereld nog ervaren als een zee van mogelijkheden om te verkennen. En wat daarbij bemoedigend is: ze worden twee aan twee geroepen, ze hebben hun broer naast zich voor steun en support op hun weg.
Als ze geroepen worden weten ze trouwens nog niet hoe hun weg zal zijn. Roeping is in de Bijbel geen eenmalige stap van loslaten naar nieuw houvast vinden, geen springen en meteen weer worden opgevangen, geen simpele verschuiving van de ene toestand in de andere. Roeping is op weg gaan, achter een stem aan die je roept. Je verlaat wat vertrouwd is en doet een stap in het onbekende, van een toestand die voorspelbaar is, die je kent, naar een toestand die onzeker is en onverwachte nieuwe dingen op je weg kan brengen.
Ook vandaag, als mensen zich geroepen voelen om gerechtigheid in hun daden zichtbaar te maken vraagt dat moed om iets of veel van het vertrouwde los te laten.
In het roepen van Jezus: de tijd is gekomen, het koninkrijk van God is nabij, klinkt door dat het echt urgent is nu. Het vraagt om actie. Kom tot inkeer en hecht geloof aan het goede nieuws gaat niet alleen over een transformatieproces vanbinnen, maar juist ook over een transformatieproces van buiten. Je bezinnen op de waarden waaruit je wilt leven is alleen zinvol als je die waarden ook in actie brengt.
Waar je voor staat is alleen relevant als je het laat zien in waar je voor gaat. En leven vanuit je waarden wordt pas echt zichtbaar als het je iets kost. Pas als je waarden op het spel staan, ontstaat de vraag wat die waarden je waard zijn. Pas als er een prijs te betalen is, krijgt de dat wereld te zien.
In die zin worden we allemaal geroepen, elke dag weer. Ten diepste verwoorden we die keuze misschien wel als: kies ik voor mezelf of kies ik voor de ander. En in het beantwoorden van die vraag ontstaat de zoektocht naar onze motieven, naar onze waarden, naar de prijs die we betalen en of die het ons waard is. Dat er een prijs te betalen is, dat het goede meer offers vraagt dan het kwade, dat zou je zonde kunnen noemen.
Het kan betekenen dat we ons comfort, onze zekerheid, of zelfs onze veiligheid opgeven. Dat laten de helden uit het verleden en het heden ons zien, die ons roepen met voorbeelden van wat je kunt doen als gerechtigheid je vol urgentie roept. Het kneden van de wereld tot een plek van gerechtigheid is hard werk. De klei is stug en droog, en lijkt soms alleen soepel te worden met bloed, zweet en tranen.
Maar godzijdank zijn wij elkaar gegeven. Jezus roept zijn leerlingen twee aan twee, want het is niet goed dat de mens alleen is. We hebben anderen nodig, en als we dat niet zo voelen dan hebben anderen ons nog altijd wel nodig.
In het verhaal van Marcus en in het verhaal over Elisa mogen we ontdekken dat we allemaal, onverwachts, geroepen worden tot gerechtigheid. Soms luid en onverhuld. Soms fluisterend subtiel. En het wordt voelbaar als het even oncomfortabel is.
Waardoor word jij vandaag geroepen? Wat raakt jou in je waarden? Waar merk jij dat je wegduikt voor het goede? Wie vergezelt jou om je te steunen in het onbekende gebied dat je met grote keuzes binnentreedt? En voor wie kun jij als een broer of zus, een metgezel zijn op diens weg van gerechtigheid?


