Overdenking bij Jesaja 42:1-9 en
Marcus 1:1-14
Inleiding op Jesaja
Aan het eind van de 7e eeuw voor het begin van onze jaartelling, kregen de Babyloniërs de macht in het koninkrijk Juda. De Babyloniërs hadden het Assyrische rijk dat tot dan toe de wereld van het Midden-Oosten overheerste, omvergeworpen.
Op dat moment was Juda al zo’n 150 jaar een vazalstaat van het Assyrische Rijk. Het land vormde een buffer, een soort vooruitgeschoven post richting Egypte.
In de verwarring die ontstond na de val van Assyrië probeerden de Egyptenaren de macht te grijpen in het westen van het rijk. Koning Jojakim van Juda sloot zich aan bij de Egyptenaren, maar werd verslagen door de Babyloniërs.
In 597 voor Christus viel Jeruzalem, de hoofdstad van Juda. Als straf deporteerde de Babylonische koning Nebukadnezar II de nieuwe koning Jojachin, zijn hofhouding en het grootste deel van de religieuze en politieke leiders naar Babylon. Er volgden nog twee Joodse opstanden die leidden tot verdere deportaties in 586 en 582, waarbij de Babyloniërs ook de tempel van Salomo en het grootste deel van Jeruzalem verwoestten.
Als ballingen in Babylon konden de Joden wel een soort gemeenschap blijven. Ze mochten trouwen, een familie stichten, land bezitten en bewerken, en kapitaal vergaren.
Dat maakte de pijn er bij de ballingen niet minder op natuurlijk. Zij leefden ver in het buitenland, en het land waaruit ze waren weggevoerd, was verwoest. Het land waarvan ze geloofden dat God het hun had gegeven. Daar werd veel over gefilosofeerd en nagedacht, en veel over gestudeerd in de Bijbel. Want waarom was dit gebeurd, over de band van God met zijn volk, over wie God was en wat die wilde?
Er ontstond een vernieuwde visie op de Joodse identiteit, een vernieuwde visie op God en zijn relatie met de wereld. En het lijkt erop dat het in de ballingschap voor de Joden ook duidelijker werd wat het betekende om bij hun volk te horen. Zoals je ook in Canada bij Nederlandse emigranten een bepaalde visie op de eigen identiteit kon tegenkomen.
Die vernieuwing kun je terug horen in de hoofdstukken 40 tot 55 van de profetie van Jesaja, waarbij ook ons hoofdstuk 42 van vanmorgen hoort. Er wordt een soort verklaring gezocht van waarom de ballingen in Babylon terecht zijn gekomen, nagedacht over wat er misging, waarom God het zo ver heeft laten komen. Met nadruk gaat het dan over sociaal onrecht. De profeet geeft ook hoop, die hij baseert op God die niet loslaat wat zijn hand is begonnen. Er is een weg naar de toekomst, naar vrijheid. Een weg om te gaan.
En daarover lezen we vanmorgen in de profetie van Jesaja: Hier is mijn dienaar, zegt God, hem zal ik steunen. En met die dienaar bedoelt de profeet het volk van de ballingen (in hoofdstuk 41 wordt het volk namelijk tot twee keer toe aangesproken als ‘dienaar’).
En… of in de manier waarop de dienaar wordt omschreven een soort ideaalbeeld wordt geschetst, een soort weg wordt gewezen, een maatstaf om aan te voldoen? In ieder geval krijgt de dienaar een duidelijk karakter. En wij zien daarin wel bepaalde waarden terug die we herkennen, denk ik, een bepaald beeld van wat het betekent om goed te leven.
Het volk zal de wereld het recht doen kennen. Daarmee wordt niet per se een wetboek bedoeld, als wel een bepaalde manier van leven. Gerechtigheid, bevrijding, dat zijn de dingen die bij die manier van leven horen. Want, zo zegt Jesaja dat God zegt: Ik maak je tot een licht voor alle volken, om blinden de ogen te openen, om gevangenen te bevrijden uit de kerker, wie in het duister zitten uit de gevangenis.
En hoe zal de dienaar van God, hoe zal het volk dat doen? Practice what you preach, doe het op de manier die je zegt. De dienaar zal een licht zijn dat anderen niet in de schaduw zet of uitdooft. Niet schreeuwerig luidkeels in het openbaar. En hij zal niet breken wat al geknakt is. Met zachte stem dus, en voorzichtig.
De manier waarop de dienaar het recht zal doen kennen is een zachthandige, barmhartige manier. Niet gewelddadig noch in woord noch in daad. Dat we die boodschap steeds weer moeten horen, blijkt wel uit de geschiedenis. Want hoe hebben wij zelf de boodschap van God verspreid over de wereld? Dwingend hebben we het als kolonisator opgelegd. En kijk naar hoe de leiders van van oorsprong christelijke naties vandaag de dag de vrede zeggen te brengen in andere landen, ook zij zouden wel een lesje Jesaja kunnen gebruiken.
Onze manier van leven, van gerechtigheid en bevrijding, is de manier waarop we de wereld God kunnen laten kennen. Niet met geschreeuw in welke vorm dan ook.
Dat vraagt het nodige vertrouwen. Want waar komt geschreeuw vandaan? Komt dat niet voort uit onze eigen onzekerheid? Uit onze angst over het hoofd gezien te worden? Uit het idee dat de ander, de wereld om ons heen vijandig is? Het vraagt vertrouwen om met zachte stem en zachte hand bevrijding en barmhartigheid en gerechtigheid voor te leven. En daarom is het zo belangrijk dat de profeet ook zegt dat God zegt: ‘Ik zal je bij de hand nemen en je behoeden.’
God zal trouw zijn. ‘Wat eertijds is voorzegd, is nu vervuld,’ zegt God. ‘Ik kondig jullie nieuwe dingen aan, ik openbaar ze nog voor ze ontkiemen.’ De belofte van zijn toekomst als een nog onzichtbaar zaadje dat zal ontkiemen. Mag het zo zijn. En mogen ook wij die dienaar zijn, die het licht van anderen niet uitdooft en anderen niet breekt, die gerechtigheid brengt en barmhartigheid en bevrijding, zonder geschreeuw en geweld.
Mag het zo zijn.
We lezen Jesaja 42:1-9
Inleiding op Marcus
Begin van het evangelie van Jezus Christus, zoon van God. Dat is wat Marcus helemaal bovenaan zijn tekst geschreven heeft. Het is niet echt een titel, meer een samenvatting van wat komen gaat. Romeinen kenden dan ook niet zoiets als titels zoals wij gewend zijn. Die leidden uit de eerste regels af welk boek ze in handen hadden.
Marcus was, je hoort het eigenlijk al aan zijn naam, hoogstwaarschijnlijk een Romein. Hij schreef voor een Romeins publiek, en het zou goed kunnen dat hij dat in Rome deed. In zijn boek gebruikt hij een aantal Latijnse woorden. En joods aramese woorden vertaalt hij, joodse feestdagen legt hij uit.
Marcus schreef trouwens in het Grieks, want dat was de taal die iedereen in het Romeinse Rijk beheerste, naast hun lokale talen.
Het woord evangelie bestond al in het Grieks. Wij kennen het tegenwoordig als een aanduiding voor een soort Bijbelboek. Wij lezen wat in ‘het evangelie’ geschreven staat. De blijde boodschap van God voor de wereld, in de vorm van de woorden en daden van Jezus. Maar de lezers van Marcus kenden het uit een heel andere context.
Evangelie werd onder andere gebruikt voor belangrijke aankondigingen, bijvoorbeeld als er een belangrijke overwinning in een oorlog werd aangekondigd. De boodschapper die het bericht van een overwinning in een veldslag kwam brengen, bracht een evangelie.
Maar keizers gebruikten het ook, in hun propaganda, en tilden het naar een hoger niveau, omdat ze zichzelf vaak zagen als een soort godenzonen.
“Begin van het evangelie van Jezus Christus, zoon van God.” Zo begint Marcus. En luister eens naar de volgende tekst, waarin aangekondigd wordt dat de geboortedag van keizer Augustus voortaan ook op deze plek, Priene, de eerste dag van de kalender zal zijn.
“Omdat de dag van de geboortedag van de god [Augustus] te midden van de vervulling van alle goede dingen plaatsvond, die ook voor ons het begin werd van de evangelies die door hem voor de wereld zijn geschied,
hebben de Grieken van de stad Priene besloten:
Omdat de god keizer, zoon van god, de verhevene, redder van het leven van de hele mensheid, van wie de eerdere weldaden alle verwachtingen overtroffen, en nu, door zijn aanwezigheid, deze verwachtingen nog verder overtreft, om zijn verjaardag, vanaf welke de goede boodschappen voor de wereld begonnen door zijn geboorte, te eren als gelijkwaardig aan de dag van zijn vader Zeus en aan de dag van Rome.”
De geboorte van keizer Augustus als het begin van de evangelies voor de wereld. De keizer die zoon van God genoemd wordt.
Zelfs als Marcus niet rechtstreeks verwijst naar deze tekst, dan nog kun je stellen dat het woord evangelie, en het begrip zoon van God, helemaal bekend waren bij zijn Romeinse publiek. De geboorte van de keizer als het begin van al het goede, van het evangelie dat door hem voor de wereld is geschied. Marcus gebruikt hier voor Jezus Christus woorden die in zijn tijd alleen voor keizers werden gebruikt.
We gaan het verhaal van een keizerlijk persoon horen, Jezus Christus, de Romeinse lezers spitsten hun oren, want die keizer kenden ze nog niet.
En dan is er nog de manier waarop het woord Evangelie gebruikt wordt in de Griekse vertaling van het Oude Testament, die bij Joden in het Romeinse Rijk op dat moment gebruikt werd. Daar wordt, bijvoorbeeld bij Jesaja, het woord gebruikt voor boodschap vol vreugde. Dat is de betekenis die het woord evangelie later vooral gekregen heeft.
In het verhaal dat volgt, zal blijken dat Jezus Christus maar weinig lijkt op de keizers van de Romeinse wereld.
We horen dat hij zichzelf niet uitroept tot Zoon van God, maar dat anderen dat doen. Johannes de Doper die zinspeelt op zijn macht, maar het is God zelf die Jezus aanwijst als ‘mijn geliefde zoon’. En uiteindelijk blijkt ook het woord evangelie een heel nieuwe invulling te krijgen, waarin het niet gaat om een koninkrijk van mensen, maar het koninkrijk van God. Het is nabij, kom tot inkeer en hecht geloof aan dit evangelie, aan dit goede nieuws.
We lezen Marcus 1:1-14
Korte overdenking
Die dienaar uit Jesaja, de volgelingen van Jezus hebben daar, misschien al tijdens zijn leven maar in ieder geval kort erna, een verwijzing naar Jezus zelf in gezien. Niet het volk Israël.
Want waar Jesaja profeteert over de dienaar die blinden de ogen opent, gevangenen bevrijdt uit het duister van hun kerker, keken de volgelingen terug op Jezus die mensen de ogen opende, letterlijk maar vooral figuurlijk, en ze bevrijdde uit de gevangenis van hun sociale isolement, uit de gevangenis van wat hun ‘zonden’ werd genoemd.
Waar Jesaja zei hoe die dienaar dat zou doen, zonder te schreeuwen en niet in het openbaar, en zonder kwetsbare mensen te breken, zonder het licht van anderen te doven, keken de leerlingen van Jezus terug op hoe hij had geleefd en uiteindelijk geleden en konden ze niets anders zien dan zijn liefde voor kwetsbaren en de manier waarop hij politieke macht bij zich vandaan hield.
Het strookt totaal niet met het optreden van de keizers van onze wereld en toch heeft God Hem als keizer aangewezen: ‘dit is mijn geliefde zoon’. Een keizer die van zijn troon kwam en, zo zegt de kerk, de keizer van de kosmos werd.
Heeft de kerk daarvan geleerd? In de beginjaren zeker. Het doorsnijden van de banden tussen religie en politiek: geef de keizer wat van de keizer is, maar geef God wat van God is. Het leidde tot een beweging van mensen die elkaar opzochten, het vereren van wereldse machten afzworen, die in geweldloosheid en zorg voor anderen een licht voor de wereld probeerden te zijn.
Is dat altijd zo gebleven? Nee… de kerk bestaat uit mensen en mensen zijn hardleers. Tot op de dag van vandaag. Gezond wantrouwen tegen mensen met macht is op zijn plaats, een beetje zelfwantrouwen ten aanzien van de macht die jij hebt ook, omdat zij en ook wij gewoon maar mensen zijn.
Te weinig leggen we de macht langs de meetlat van de barmhartigheid en de bevrijding en de geweldloosheid. Te veel luisteren we naar het geschreeuw terwijl God misschien wel fluistert, zijn stem niet verheft op straat.
En dit is het goede nieuws:
De tijd is aangebroken, het koninkrijk van God is nabij, dat betekent dat het niet samenvalt met wat wij doen of hebben of maken, maar dat het ons tegemoetkomt, dat we ernaar moeten reiken. Kom tot inkeer, dat betekent dat je bij jezelf nagaat of je bijdraagt aan bevrijding of aan gevangenschap, dat je bij jezelf nagaat of je bijdraagt aan het breken van mensen en natuur of het geknakte juist ondersteunt, dat je bij jezelf nagaat of je schreeuwend tweespalt en geweld ondersteunt, of met zachte stem gerechtigheid doet.
Lastig hè. Laten we hopen dat God ook in ons hart, ook zonder dat wij het weten, goeds heeft klaargelegd om te ontkiemen. Laten we daarnaar zoeken.


