Wees altijd bedacht op Babel

Overdenking bij  Genesis 11:1-9 en Genesis 1:26-31 en

We lazen een verhaal over hoe de stad Babel ontstond.

De mensen ontdekken hoe ze stenen moeten bakken. Ze willen een stad gaan bouwen, met een toren. Een toren die tot in de hemel moet gaan reiken want, zeggen de mensen, dan raken we elkaar niet kwijt.

God ziet het bezorgd aan, het is een raadsel waarom. ‘Alles wat ze verder nog van plan zijn, ligt nu binnen hun bereik,’ zegt God. Nu, dat is blijkbaar nu ze techniek hebben ontwikkeld en hebben leren samenwerken.

Maar wat is daarvan het probleem? Zou het zijn dat de mens in de verbeelding van de Bijbelschrijvers hoog in de lucht Gods hemel zullen opzoeken, en hem dan van de troon dreigen te stoten? Ligt de hemel nu binnen hun bereik?

Of houdt God gewoon niet zo van mensen die samenklonteren in steden, houdt hij meer van mensen die rondtrekken over de aarde?

Dat verspreid raken over de aarde is in ieder geval de bedoeling. God bereikt het door verschillende talen te introduceren en daarmee voor spraakverwarring te zorgen. Maar we hoorden het ook al in het scheppingsverhaal. ‘Wees vruchtbaar en word talrijk, zegt God, bevolk de hele aarde.’

Door ze alsnog te verspreiden, zoals altijd al de bedoeling was, wordt iets in de mensheid onschadelijk gemaakt. Een concentratie van de macht, op een enkele plek.

Zouden de Bijbelschrijvers dit hebben opgeschreven terwijl ze in Babel zaten, omdat ze zagen hoe de wereld gebukt ging onder de enorme macht van de Babyloniërs? Dat kon toch niet de bedoeling zijn, dat de ene mens als een God zou heersen over de ander?

Hoewel, over heersen gesproken… dan moeten we toch even terug naar wat er nog meer in Genesis 1 geschreven staat, als de mens wordt geschapen.

In dat scheppingsverhaal is het zo, dat God spreekt, en wat hij zegt wordt werkelijkheid. Als het waar is, dat we in wat we zeggen iets uitdrukken van wie we zijn, dan is de mens de uitdrukking van God die het meeste op God zelf lijkt.

Laat ons mensen maken die op ons lijken, staat er. En dan geeft God de mens een bedoeling mee, we lazen: zij moeten heersen over de zee en alles wat daarin is, over de hele aarde en alles wat daarop is, zegt God.

Zodra de mens naar Gods evenbeeld gemaakt is, van mannelijk tot vrouwelijk, krijgt de mens niet alleen een zegen wees vruchtbaar en word talrijk, maar ook een opdracht: bevolk de aarde en breng haar onder je gezag.

Heersen moet, of mag, de mens dus wel. Maar als je die opdracht tot heersen aanneemt zonder het verhaal van Babel erbij te gebruiken, levert dat problematische toestanden.

Want kijk om je heen: heersen en de aarde onder zijn gezag brengen is wat de mens volop heeft gedaan. Zozeer dat we nu in een ecologische crisis zitten. De aarde wordt uitgebuit, natuurlijke hulpbronnen opgebruikt, ruimte van andere levende wezens onherstelbaar, onomkeerbaar vernietigd.

Als je kijkt naar hoe wij als mensen heersen over de natuur, dan komt daar een beeld uit naar voren dat wel lijkt op Babels toren. We gaan met de wereld om alsof we losstaan van de natuur, los staan van de ecosystemen. Alsof we erboven verheven zijn, alsof we hoog in een toren aan de knoppen draaien zonder dat het ons beïnvloedt.

Inmiddels weten we heus wel, we merken het, dat we niet alleen aan de knoppen van de aarde draaien, maar dat onze onbegrensde honger naar groei en naar meer zorgt dat wij samen met de aarde naar de knoppen gaan.

Moeten we die opdracht tot heersen, en de aarde onder ons gezag brengen, parkeren in het verleden omdat hij daar hoort? Er zijn bijbelwetenschappers die dat suggereren, die zeggen: dit verhaal komt uit de tijd dat er nog wildernis was, die bedreigend was. Vruchtbare aarde, reden voor bestaan, moesten op de wildernis bevochten worden. Het schaarse land, de schaarse veiligheid en schaarse voorspoed van mensen moest veroverd worden op de natuur.

Maar waar ligt dan het kantelpunt. Wanneer is er genoeg veroverd? Waar ligt op de lijn tussen schaarste en overvloed het punt van genoeg? Tot welk punt wordt de wildernis in cultuur gebracht, wordt de natuur, de wereld, benut en tot bloei gebracht? Vanaf welk moment is sprake van uitbuiting van de natuur, de wereld, de schepping?

En er is nog iets problematisch aan de hand. De opdracht om te heersen, is een bijzin in dezelfde zin als waar God zegt: laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn. In ons heersen zijn we dus evenbeeld van God. Maar klopt de manier waarop wij heersen wel met hoe God heerst?

Tja… dat hangt van je beeld van God af. Een cultuur met een voorkeur voor geweld en dominantie, aanbidt de gewelddadige en dominante trekken die in verhalen over de Bijbelse God naar voren komen… Heerszuchtig, jaloers, streng, straffend, controlerend, autoritair: als dat je Godsbeeld is, en de mens is naar Gods evenbeeld geschapen, en geroepen om te heersen, dan weet je wel hoe dat heersen eruitziet. Dan snap je geweld en onderdrukking en uitbuiting in de naam van God.

En waar de natuur wordt uitgebuit, vanuit de zucht naar overvloed, zijn ook altijd mensen het slachtoffer. Waar de ene mens heerst over de ander, wordt die ander omlaag gepraat, in een lagere menselijke categorie gezet. Productiemiddel gemaakt, of als bijkomende schade terzijde geschoven.

Koloniale projecten uit ons verleden, en tot op heden, laten dat zien. Op het Afrikaanse continent. In Zuidoost-Azië, in Zuidwest-Azië, waar eigenlijk niet. “Het is ons land,” wordt gezegd. “En als het hun land is dan zijn ze te lui om eruit te halen wat erin zit en is het logisch dat wij het doen, ze zijn geen goede rentmeesters van Gods schepping.”

Ach, het zijn maar boeren uit de provincie, het zijn maar domme zwarten, het zijn maar dronken Maleiers, het zijn maar Slaven, het zijn maar gedweeë inlanders, het zijn maar Arabieren, het zijn maar horigen, het zijn maar simpele zielen, het zijn maar Untermenschen, het zijn maar vrouwen.

Is dat je beeld van heersen? Is dat je beeld van God, is dat je beeld van mensen? Er is wel wat theologische acrobatiek voor nodig om het zo te zien. Zulke overstrekte lenigheid dat je broek ervan scheurt, dat je eigenlijk in je blote kont komt te staan. Maar ja, durf maar eens te roepen dat de keizer geen kleren aan heeft.

Maar dan de omgang met heersen in het verhaal van Babel. Door ze alsnog te verspreiden, zoals altijd al de bedoeling was, wordt iets in de mensheid onschadelijk gemaakt. De concentratie van de macht, op een enkele plek. Het heersen van de mens moet verspreid over de aarde gebeuren.

Heersen verspreid over de aarde… zou het kunnen dat de schrijvers van Genesis hier het geloof uitspreken dat niet het ene volk op de ene plek zeggenschap moet hebben over het andere volk op een andere plek? Dat de bewoners van het ene land niet door God geroepen zijn om te heersen over de bewoners van het andere. Dat verscheidenheid een tegenkracht is tegen concentratie van de macht?

Wees altijd bedacht op het ontstaan van een nieuw Babel.