Overdenking bij Johannes 21:1-18 en Genesis 3
Het is eigenlijk een raar verhaal, dat verhaal over de leerlingen die weer gaan vissen. Nou ja, het is niet raar in de zin van dat er gekke dingen gebeuren, hoewel, nou ja ze zijn niet gek maar wel symbolisch. Wat wel raar is, is dat dit hoofdstuk überhaupt nog aan het verhaal is toegevoegd. Als je namelijk de laatste verzen van het vorige hoofdstuk leest, denk je: zo, dat was het, klaar.
Daar staat namelijk:
“Jezus heeft nog veel meer wondertekenen voor zijn leerlingen gedaan, die niet in dit boek staan, maar deze zijn opgeschreven opdat u gelooft dat Jezus de Messias is, de Zoon van God, en opdat u door te geloven leeft door zijn naam.”
Met andere woorden: dit was het dan, het boek met wondertekenen. Geloof en leef!
En dan komt er toch ineens nog een heel verhaal achteraan. Best raar toch?
In hoofdstuk 20 is Jezus nota bene 3x aan de leerlingen verschenen (bij het graf, in het huis en toen nogmaals in het huis waarbij Tomas aanwezig was). Als hij aan Tomas is verschenen, zijn Jezus’ laatste woorden: ‘zalig zij die niet zien en toch geloven’. En ten slotte komt de schrijver dan met het net geciteerde stukje.
Het is een soort slotakkoord. Wij die Jezus niet hebben gezien zijn zalig als we toch geloven, en we kunnen geloven op basis van alle tekenen die in het Johannesevangelie voor ons zijn opgeschreven. Punt.
Nou ja, niet dus. Moeten we het hoofdstuk waaruit we net gelezen hebben dan zien als een soort… toegift?
“Hierna verscheen Jezus weer aan zijn leerlingen, nu bij het Meer van Tiberias,” zo begint het 21e hoofdstuk. Want daar zijn ze weer terechtgekomen. Nogal laconiek, zo lijkt het, zegt Petrus: “Ik ga vissen”. En zeggen de anderen: “Wij gaan met je mee.”
Waarom gaan ze nou toch weer vissen? Is hun hele leven niet op zijn kop gezet, nu ze gezien hebben dat Jezus die gestorven was leeft? Zitten ze daar niet zo vol van dat het een nieuw begin inluidt? Was het niet een breuk in hun bestaan?
Nou… je zou het wel denken hè.
Maar kijk dan eens naar de eigen hoogtepunten in jouw leven. De roes van je diplomering bijvoorbeeld, Of de vreugde van het halen van een rijbewijs. De sensatie van een huwelijksdag… die heftige verliefdheid, hoe verging het je daarna? Wanneer kwam de dag dat het gewone leven weer zijn keer nam? Het is zoals de verjaardag van een collega op het werk: er is taart en een cadeau van de personeelsvereniging, en daarna moet er gewoon weer gewerkt worden.
Ja ho even, maar dit was toch Pasen? Radicale vernieuwing, het begin van Gods nieuwe schepping? Oké, maar kijk dan eens naar jezelf. Twee weken geleden hebben we Pasen gevierd. Sta jij daar nog dagelijks bij stil? Wat betekent Pasen nog voor jou?
Wacht even hoor… is dit 21e hoofdstuk eigenlijk niet een noodzakelijk hoofdstuk? Geen toegift, maar deel van het hoofdprogramma, geen toetje maar onderdeel van het hoofdgerecht? Want we leven allemaal na Pasen en hoe gaat dat dan, hoe werkt dat door in het alledaagse leven?
Als je met die vraag in je achterhoofd het verhaal leest over hoe de leerlingen weer vissers werden en wat er dan gebeurt, daar bij het meer van Tiberias, wordt het een heel ander verhaal. Je merkt hè, als je het evangelie alleen maar letterlijk neemt, mis je het punt.
Wat gebeurt daar? Eerst het einde hoor, Jezus’ dialoog met Petrus, als ze gegeten hebben. Drie keer heeft Petrus Jezus verloochend in de tuin van het Sanhedrin. Drie keer heeft hij gezegd: ik ken die vent niet. Een doodzonde, zou je zeggen. Want Jezus had het hem nota bene voorspeld, hij was erop voorbereid en nog deed hij het. En nu mag hij eerst gewoon mee eten. En daarna krijgt hij opnieuw drie keer een vraag. Maar nu niet de vraag: ken je mij? Maar de vraag: heb je me lief?
Dat is een vraag die in het Johannesevangelie past, Jezus liefhebben betekent doen wat Jezus zegt en daarmee doen wat goed is in Gods ogen. Maar dat even daargelaten: Petrus wordt vergeven. De absolute ontkenning van drie keer is scheepsrecht wordt omgekeerd in absolute vergeving, drie keer hou je van me. Gevolgd door de opdracht als een herder voor de volgelingen van Jezus te zijn.
Oké, als het hier gaat om het leven na Pasen dan betekent dat dus een nieuw begin. Een nieuw begin, vergeving, met een opdracht om voor anderen te zorgen. Petrus is een soort ervaringsdeskundige, zou je misschien kunnen zeggen, zoals je ze tegenwoordig in de zorg tegenkomt. Expert in leven uit vergeving, zoals Jezus dat ook was, en uiteindelijk betaalde hij daarvoor ook de hoogste prijs.
Wij, leerlingen na Pasen, hebben dus iets met vergeving te maken: mogen hem ontvangen en mogen eruit leven, in zorgzaamheid voor anderen. Zoals ook Adam en Eva, in zekere zin, mogen blijven leven nadat de poorten van het paradijs achter hen zijn gesloten, moeten leren dat het niet zomaar wat is, dat scheppen, het gaat met pijn en moeite, maar tegen die prijs is er wel leven voor ze, na hun “doodzonde”.
Maar nu het andere punt van het verhaal. Ik heb het al genoemd, en als je ziet heb je meteen door waarom Jezus daar aan de oever zit met een brood en een vis. Dat meer van Tiberias komt namelijk eerder in het Johannesevangelie voor. (Zingen): o vrede van Tiberias, o heuvels in het rond… Daar, aan het meer van Tiberias, vroeg Jezus zijn leerlingen om de uitgelopen menigte mensen te eten te geven. En daar, aan het meer van Tiberias, brak hij het brood en liet dat met de vis uitdelen. En er was genoeg voor 5000 mensen, meer dan genoeg.
Terwijl de leerlingen zwoegen op het water om vissen te vangen, en het niet lukt, roept die man vanaf de oever of ze iets te eten bij zich hebben. Ze willen wel delen, maar hebben niets gevangen, de hele nacht niet. Gooi het over de andere boeg, roept de man. En ze doen het, met groots resultaat. Maar als ze aan land komen, met vis in hun netten en brood in hun tas, brandt daar dat vuurtje al.
Opnieuw een wonder van delen, daar aan het meer van Tiberias. Een wonder van: genoeg. Jezus nam het brood en gaf hun ervan, en hij gaf hun ook de vis.
Leven na Pasen betekent dus ook het vertrouwen dat er genoeg is om van te delen. Letterlijk betekent dat, dat we gehoor geven aan de mensen aan de rand, aan de oevers van het water waar wij aan het vissen zijn, als ze ons vragen om ze te helpen met hun dagelijks brood. Figuurlijk betekent dat brood dat gebroken wordt natuurlijk ook Jezus zelf. Gebroken om vermenigvuldigd te worden, genoeg voor iedereen. Dat waar hij zich met hart en ziel voor heeft ingezet, dat wat hij geleefd en voorgeleefd heeft, hij deelt het met ons en wij delen het met elkaar en met de wereld. In vertrouwen dat het genoeg is.
Het is geen toegift, dit verhaal. Misschien kun je het een slotakkoord noemen, dat tot in lengte van dagen door galmt? Nee, dat klinkt te groots, te opgeblazen. We horen al te veel opgeblazen woorden van leiders die zeggen te doen wat God wil maar mensen laten verdrinken in plaats van ze op te vissen, ze kopje onder laten gaan, letterlijk of figuurlijk, in plaats van te delen. Die alleen nemen, en niet bijdragen. Zo tegengesteld aan de liefde die zichzelf wil geven, tot in de dood, een lichaam dat zich durft te laten breken, in vertrouwen.
Op de oever van onze levenszee zit Jezus met een vuurtje te wachten, brood en vis. Reminder dat als wij delen er voor iedereen genoeg is. Dat we als we hem volgen, zijn voorbeeld, ons net uitgooien over de door hem gewezen boeg, zullen bijdragen aan een betere wereld voor allen.


